Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2026:15055
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.8753 uitspraak van 2 juni 2026 van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. E.T.P. Scheers), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (hierna: GVVA) om als kok werkzaamheden te verrichten bij een Aziatisch restaurant (hierna: referent). Verweerder heeft eisers aanvraag met het besluit van 14 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 februari 2026 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] (namens referent), K. Lachmansingh als tolk, de gemachtigde van verweerder, en mr. [naam 2] (namens het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)).
Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
Wat vindt eiser in beroep?
Referent heeft bij de verlengingsaanvraag rekening gehouden met deze eisen en vervolgens wordt tegengeworpen dat die ervaringsvereisten niet gesteld mogen worden. Onder gelijkblijvende omstandigheden kunnen niet plotseling andere functie-eisen worden gesteld, dit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Alle tegengeworpen afwijzingsgronden zien op de door referent gestelde eis van één jaar werkervaring in de Indiase keuken. De conclusie van het UWV dat de werkervaringseis irreëel is kan niet worden gevolgd. Het UWV stelt ten onrechte in zijn algemeenheid dat voor het werken als kok in de Aziatische horeca geen werkervaring vereist is en er daarom prioriteitgenietend aanbod bestaat. Referent heeft namelijk uitgebreid gemotiveerd wat de karakteristieken zijn van deze specifieke functie.
Verweerder heeft tot slot ten onrechte gesteld dat het advies gestoeld is op dwingende afwijzingsgronden en er geen ruimte is voor een nadere toets of belangenafweging.
Wat is de voorgeschiedenis?
5.1.
Per 1 januari 2022 is de Regeling Aziatische horeca vervallen. De aanleiding hiervoor was dat het kabinet signalen had ontvangen die zouden kunnen duiden op gevallen van mensenhandel en/of mensensmokkel. Tot 1 februari 2022 was er sprake van overgangsrecht en daarnaast bleef de Regeling Aziatische horeca van toepassing op reeds verleende vergunningen en verlengingsaanvragen. Na het besluit tot stopzetting van de regeling heeft het kabinet nagedacht over de vraag of de regeling in aangescherpte vorm zou kunnen herleven. In afwachting van dit besluit is het UWV na 1 februari 2022 blijven toetsen aan de specifieke functie-eisen die voortvloeiden uit het Convenant Aziatische Horeca. Op 18 november 2022 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Tweede Kamer geïnformeerd dat de Regeling voor de Aziatische horeca definitief komt te vervallen. De minister heeft het UWV in lijn daarmee verzocht om het toetsingskader aan te passen. In een brief van 17 mei 2023 zijn de sectorvertegenwoordigers geïnformeerd dat per 1 juli 2024 de toets aan de specifieke functie-eisen kwam te vervallen. Daarmee is een definitief einde gekomen aan de uitzonderingspositie van de Aziatische horeca.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Heeft verweerder eiser opnieuw moeten horen naar aanleiding van het UWV-advies in bezwaar?
Heeft verweerder het UWV-advies ten grondslag kunnen leggen aan zijn besluit?
8.1.
De beroepsgrond van eiser dat in het UWV-advies, dan wel in de keuze van verweerder om dit onverkort aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen, onvoldoende terugkomt dat het gaat om een verlenging van een verblijfsvergunning die eerder aan eiser voor dezelfde functie is verleend, slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. De rechtbank licht dit hierna toe.
8.1.1.
Bij een verlengingsaanvraag moet opnieuw worden getoetst of nog aan de beperking wordt voldaan waarvoor de vergunning is verleend. Er wordt niet of niet langer aan de beperking voldaan, indien de vreemdeling niet meer in Nederland verblijft voor het doel waarvoor de vergunning is verleend of niet meer voldoet aan de bijzondere voorwaarden die in het kader van het verblijfsdoel worden gesteld. Het uitgangspunt is dat een aanvraag wordt getoetst aan de op dat moment geldende regelgeving. Ter zitting heeft eiser verduidelijkt dat het hem er niet om gaat dat de Regeling Aziatische horeca is afgeschaft, maar om het vervallen van de toets aan de specifieke functie-eisen. Volgens eiser is het vervallen van die toets niet op de juiste manier bekendgemaakt en volgt dit niet zonder meer uit het afschaffen van de regeling. Ook is het vervallen van de toets volgens eiser in strijd met de regels uit de Wav, waarin de toets aan prioriteitgenietend aanbod leidend is. Tot slot heeft eiser gewezen op Richtlijn 2024/1233 waarin is aangegeven dat de voorwaarden en criteria op grond waarvan een GVVA-aanvraag kan worden afgewezen objectief moeten zijn en in het nationale recht moeten zijn vastgesteld.
8.1.2.
De rechtbank oordeelt dat het vervallen van de toets aan de specifieke functie-eisen niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Ten eerste strekt het rechtszekerheidsbeginsel niet zover dat regelgeving en/of beleid niet mag worden aangepast. Daarnaast vloeiden de specifieke functie-eisen voort uit het Convenant Aziatische Horeca. Zoals weergegeven in 5. en 5.1. is het UWV, nadat de Regeling Aziatische horeca was vervallen, blijven toetsen aan de specifieke functie-eisen omdat de regeling mogelijk in een andere vorm zou herleven. Nadat duidelijk werd dat de Regeling Aziatische horeca definitief kwam te vervallen, heeft het UWV daarom ook de toets aan de specifieke functie-eisen mogen laten vervallen. Dat dit beleid zou komen te vervallen is daarbij ruim van tevoren aangekondigd in de brief aan de sectorvertegenwoordigers van 17 mei 2023, zodat werkgevers maatregelen konden treffen.
8.1.3.
Ook volgt de rechtbank niet dat het vervallen van de toets aan de specifieke functie-eisen in strijd zou zijn met de regels uit de Wav. Dat de beleidsmatige toets aan die specifieke functie-eisen is vervallen, betekent niet dat in de toets aan het prioriteitgenietend aanbod die volgt uit de Wav niet meer gekeken kan worden of voor het werken als kok bij een werkgever bepaalde functie-eisen gesteld moeten of kunnen worden. Het betekent alleen dat niet langer op voorhand door het UWV beleidsmatig wordt aangenomen dat voor het werken in de Aziatische horeca specifieke functie-vereisten gelden. Eisers verwijzing naar de Richtlijn 2024/1233 slaagt niet, omdat de implementatietermijn van deze richtlijn ten tijde van het bestreden besluit nog niet was verstreken.
8.1.4.
Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan waaruit hij kon en mocht afleiden dat zijn verlengingsaanvraag zou worden ingewilligd. Eiser heeft dit niet kunnen afleiden uit de eerdere verlening van zijn vergunning in 2023, gelet op het vervallen van de regeling Aziatische Horeca en de aankondiging van het vervallen van de beleidsmatige toets aan specifieke functie-eisen.
8.2.
De conclusie van het UWV dat de door referent gestelde eis van aantoonbare werkervaring als zelfstandig kok irreëel is, is naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk en navolgbaar. De rechtbank licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel komt.
8.2.1.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft het UWV de toets aan de specifieke functie-eisen, na het intrekken van de Regeling Aziatische horeca, mogen laten vervallen. Dat het UWV niet langer beleidsmatig aanneemt dat voor het werken in de Aziatische horeca specifieke functie-eisen gelden, betekent niet dat in de toets aan het prioriteitgenietend aanbod niet meer gekeken kan worden of voor het werken als zelfstandig kok I bij referent bepaalde functie-eisen gesteld moeten of kunnen worden. De rechtbank vindt in dit kader de conclusie van het UWV dat voor de functie van zelfstandig werkend kok I in functiegroep 5, waar referent voor geworven heeft, in de Aziatische horecasector in het algemeen geen werkervaring vereist is, te volgen.
Het UWV heeft verwezen naar het referentiehandboek horeca, waarin staat dat voor de functie van zelfstandig werkend kok I mbo 3 werk- en denkniveau vereist is, zonder werkervaring. Ook heeft het UWV gewezen op een notitie van adviesbureau EVZ organisatie-advies (hierna: EVZ) van 5 april 2024 waaruit volgt dat vanuit het oogpunt van functiewaardering er geen reden is om onderscheid te maken tussen de niveaus van verschillende restaurants met een van oorsprong verschillende keuken. Een verschil in indeling wordt volgens EVZ alleen gerechtvaardigd door het kwaliteitsniveau van het restaurant. Voor restaurants in het ‘reguliere’ segment concludeert EVZ dat in ieder geval de functies van kok, zelfstandig werkende kok en sous-chefkok na een zekere inwerktijd ook kunnen worden uitgevoerd door koks die in Nederland zijn opgeleid.
Het eigen maken van de voorbereiding van specifieke grondstoffen, het gebruik van specifieke ingrediënten en het leren toepassen van bereidingsmethoden voor specifieke gerechten vergt voor een in Nederland opgeleide kok een inwerktijd van ongeveer 3 tot 6 maanden.
8.2.2.
In het Panteia-rapport uit 2016, waar eiser op heeft gewezen en waarin is geconcludeerd dat de functie-eisen uit het Convenant Aziatische Horeca reëel en proportioneel waren, ziet de rechtbank geen concreet aanknopingspunt tot twijfel aan de redenering en de conclusie van het UWV. In het Panteia-rapport zijn namelijk de inhoudelijke functie-eisen van het Convenant Aziatische Horeca als uitgangspunt genomen en is op basis daarvan onderzocht of beheersing van de taal en kennis van de cultuur noodzakelijk zijn om de functies goed uit te oefenen. In het rapport is daarbij ook aangegeven dat het de onderzoekers niet lijkt dat voor elke koksfunctie vanaf niveau 4 de kok alles moet beheersen wat in de functieomschrijving staat. Daarnaast is het Panteia-rapport inmiddels 10 jaar oud en is in de brief van 17 mei 2023, waarin het vervallen van de specifieke functie-eisen is aangekondigd, ook aangegeven dat het maatschappelijk speelveld en ook de Aziatische horecasector sinds 2016 sterk zijn gewijzigd.
8.2.3.
Verder is ook de conclusie van het UWV dat referent niet heeft onderbouwd dat voor zijn specifieke restaurant wel werkervaring vereist is, te volgen. Het UWV heeft terecht opgemerkt dat pas in beroep voor het eerst is toegelicht dat referent de vegetarische/veganistische Indiase keuken bedient en welke specifieke deskundigheid, zoals authentieke kooktechnieken, hiervoor zijn vereist. Dit komt ook niet terug in de vacatures. Gelet op het feit dat in deze zaak gekeken moet worden naar hetgeen bij partijen op dit punt bekend was ten tijde van het bestreden besluit (de ex tunc-toetsing), kan de rechtbank dit niet bij de beoordeling van het beroep betrekken. Het staat eiser vrij om een nieuwe aanvraag in te dienen waarin nader onderbouwd wordt waarom voor het werken bij referent in de beoogde functie nu juist wel specifieke werkervaring vereist is.
8.3.
Gelet op het voorgaande volgt afdoende uit het UWV-advies dat er prioriteitgenietend aanbod is, bestaande uit personen met een mbo niveau 3 opleiding als (zelfstandig werkend) kok. In het verweerschrift heeft het UWV erop gewezen dat er op dit moment meer dan 500 werkzoekenden op zoek zijn naar een functie binnen het beroep van zelfstandig werkend kok. De stelling van eiser dat dit anders is omdat in het eerste kwartaal van 2026 50 procent van de GVVA-aanvragen in de Aziatische horeca wel is toegekend, leidt gelet op hetgeen hiervoor in deze uitspraak is overwogen niet tot een ander oordeel. Omdat referent heeft geworven met een irreële functie-eis, zijn ook de conclusies van het UWV dat geen (goede) vacaturemelding heeft plaatsgevonden en dat referent onvoldoende wervingsinspanningen heeft verricht voldoende inzichtelijk en te volgen. Op de zitting heeft het UWV er nog op gewezen dat eiser en referent tegenbewijs kunnen leveren voor de stelling dat er sprake is van prioriteitgenietend aanbod wanneer de vacature op de juiste manier wordt opgesteld en er na wervingsinspanningen geen geschikte kandidaat voor de functie wordt gevonden. De aanvraag kan dan mogelijk alsnog ingewilligd worden.
Heeft verweerder terecht gesteld dat er sprake is van dwingende afwijzingsgronden en er daarom geen ruimte is voor een nadere toets of belangenafweging?
10.1.
In het UWV-advies is geconcludeerd dat de weigeringsgronden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wav van toepassing zijn. De weigeringsgronden van artikel 8 van de Wav zijn dwingend geformuleerd. In artikel 8, derde lid, aanhef en onder c, van de Wav staat dat ‘in door Onze Minister te bepalen gevallen’ kan worden afgeweken van het eerste lid, onder a, b, c, d en f. De uitzonderingen op grond van deze bepaling zijn nader uitgewerkt in bijlage I Uitvoeringsregels behorende bij de RuWav 2022. Het UWV heeft er terecht op gewezen dat daarin geen mogelijkheid is opgenomen om in gevallen als deze af te wijken. Volgens artikel 3.31, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) kan verweerder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ verlenen, indien geen afwijzingsgrond uit de artikelen 8 en 9 van de Wav van toepassing is.
Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat er geen ruimte is voor een belangenafweging, omdat er dwingende weigeringsgronden aan het bestreden besluit ten grondslag liggen. Er heeft ook geen belangenafweging plaats hoeven vinden wat betreft de facultatieve weigeringsgrond uit artikel 9 van de Wav. Deze belangenafweging zou namelijk niet tot een ander oordeel kunnen leiden met betrekking tot de dwingende weigeringsgronden. Tot slot slaagt eisers verwijzing naar de Richtlijn 2024/1233 niet, omdat de implementatietermijn van deze richtlijn ten tijde van het bestreden besluit nog niet was verstreken.
11.1.
De rechtbank overweegt dat er tussen de bestuurlijke fase en beroep geen grondentrechter geldt, en dat daarom in beroep gronden tegen een besluit kunnen worden aangedragen die niet in de bestuurlijke fase naar voren zijn gebracht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder uit de Nota van Toelichting bij artikel 3.31 van het Vb 2000 heeft mogen concluderen dat enkel in gevallen die geregeld worden in de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) kan worden afgeweken van de afwijzingsgronden uit de Wav en dat de wetgever niet beoogd heeft dat artikel 3.31, vijfde lid, van het Vb 2000 wordt ingezet als vangnet voor zaken waarin is vastgesteld dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de Wav. In paragraaf B5/2.1.1 en B5/2.1.2 van de Vc 2000 is uiteengezet in welke situatie toepassing wordt gegeven aan artikel 3.31, vijfde lid van het Vb 2000. Gesteld noch gebleken is dat van één van deze situaties sprake is.
Conclusie en gevolgen 14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzitter, en mr. D. Biever en mr. E.M.A. Vinken, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav).
Door de uitzonderingspositie voor de Aziatische horeca golden de voorwaarden in artikel 8, aanhef en onder a, b en c, van de Wav niet voor deze groep.
Eiser beroept zich hierbij op artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Stcrt. 2014, 30765.
Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 augustus 2019, nr. 2019-0000122747, tot wijziging van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014 in verband met de tewerkstelling van koks ten behoeve van de Aziatische horeca, Stcrt. 2019, 48234.
Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 oktober 2021, 2021-0000162643, tot Wijziging van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014 in verband met het vervallen van de regeling voor tewerkstelling van koks in de Aziatische horeca, Stcrt. 2021, 44414.
Kamerstukken II 2022/23, 35680, nr. 23.
Brief van de Directeur Arbeidsverhoudingen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 mei 2023 aan de Aziatische horeca sector.
Artikel 14a van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw).
Memorie van Toelichting bij artikel 18 van de Vw, Kamerstukken II 1998/99, 26732, nr. 3.
Richtlijn (EU) 2024/1233 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (herschikking).
In artikel 18, eerste lid, van Richtlijn 2024/1233 staat dat de implementatietermijn op 21 mei 2026 verstrijkt.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2726.
Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022.
Stb. 2000, 497.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2853, r.o. 9.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
ECLI:NL:RVS:2015:1852.