← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2026:156

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: NL25.52397 en NL25.52399 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer], [naam], eiseres V-nummer: [nummer], ook namens de kinderen: [naam], geboren op [geboortedatum], [naam] , geboren op [geboortedatum], gezamenlijk: eisers, (gemachtigde: mr. F. van Dijk), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding

  1. Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvragen van 23 november
  2. 1.
  3. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank Zijn de beroepen ontvankelijk en kennelijk gegrond?
  4. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvragen te beslissen is verstreken.Eisers hebben de minister, na het verstrijken van de termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. Dat heeft de minister niet gedaan en eisers hebben vervolgens afzonderlijk beroep ingesteld.
  5. De beroepen zijn ontvankelijk en kennelijk gegrond. Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
  6. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvragen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’.
  7. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak. Welke dwangsom legt de rechtbank op?
  8. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
  9. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat, als de minister niet binnen de door de rechtbank opgelegde termijn een besluit op de aanvragen neemt, de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Conclusie en gevolgen
  10. De beroepen zijn kennelijk gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de minister acht weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eisers gezamenlijk een dwangsom verschuldigd.
  11. De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt vast dat sprake is van samenhangende zaken. De rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon, waarbij de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek zijn. De kosten stelt de rechtbank vast op 467,-. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvragen bekend te maken; bepaalt dat de minister aan eisers gezamenlijk een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers gezamenlijk tot een bedrag van € 467,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.S. van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 42 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder a, van de Awb. Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb. Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb. ECLI:NL:RVS:2020:
  12. Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn. ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:
  13. Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.