Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2026:16093
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.32075 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser en [eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres, hierna samen te noemen: eisers, mede namens hun minderjarige kinderen: [minderjarige 1] , V-nummer: [V-nummer] , en [minderjarige 2] , V-nummer: [V-nummer] , en [minderjarige 3] , V-nummer: [V-nummer] , en [minderjarige 4] , V-nummer: [V-nummer] , en [minderjarige 5] , V-nummer: [V-nummer] , en [minderjarige 6] , V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. G.J. Dijkman), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).
Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers voor nareis (asiel). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eisers ontvankelijk is. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt over de identiteit en de familierechtelijk relatie van de eisers. De beroepsgrond van eiser dat de minister in zijn motivering over het voordeel van de twijfel ten onrechte heeft nagelaten om het belang van het kind te betrekken, slaagt. Dit motiveringsgebrek passeert de rechtbank op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat eisers niet zijn benadeeld in hun belangen. Het besluit van de minister blijft dus in stand. De rechtbank veroordeelt de minister wel tot proceskostenvergoeding. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding 2. Eisers (vader, moeder en kinderen) hebben de Eritrese nationaliteit en willen naar Nederland komen in het kader van nareis bij [referent] (referent). Referent was ten tijde van zijn asielaanvraag in Nederland een alleenstaande minderjarige vreemdeling. Referent heeft een verblijfsvergunning asiel verkregen. Eisers hebben daarom een aanvraag ingediend voor machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis (asiel). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 13 september 2024 afgewezen. Enkel de identiteit van de vader van referent acht de minister aannemelijk omdat referent een kopie van het paspoort van de vader heeft overlegd. De moeder en de kinderen hebben geen documenten overlegd om hun identiteit of familieband met referent te onderbouwen. De minister heeft daarom de identiteit van de moeder en de kinderen niet aannemelijk geacht. De minister heeft ook de familierechtelijke relatie tussen referent en eisers niet aannemelijk gevonden. De minister heeft geen aanleiding gezien tot het aanbieden van nader onderzoek. Met het bestreden besluit van 19 juni 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank Is het beroep van eisers ontvankelijk?
Standpunt van eisers 7. Eisers voeren aan dat de minister in de beoordeling ten onrechte het zwaartepunt heeft gelegd bij de moeder van referent. De moeder heeft voldoende verklaard waarom zij haar identiteit niet kan onderbouwen met documenten. In dit verband wordt verwezen naar het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van december 2023 (AA 2023). Verder heeft de minister ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat, indien voor één van de gezinsleden niet aan alle vereisten wordt voldaan, dit zijn weerslag heeft op het hele gezin. Nu de identiteit van de vader van referent aannemelijk is geacht en de minister bewijsnood aanneemt ten aanzien van de identiteit van de broers en zussen en dus kennelijk ook ten aanzien van de familierechtelijke relatie dient de minister hen het voordeel van de twijfel te geven en DNA-onderzoek aan te bieden. In die omstandigheden is het onevenredig om uitsluitend aan moeder géén DNA-onderzoek aan te bieden. Het belang van gezinshereniging staat voorop en in geval van een kerngezin moet de minister snel overgaan tot het geven van het voordeel van de twijfel. Hierbij heeft de minister het belang van de minderjarige broers en zussen om in hun kerngezin op te groeien ten onrechte niet (kenbaar) betrokken in de beoordeling. Eisers voeren tot slot aan dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen in de bezwaarfase.
Juridisch kader 8. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:245) volgt dat de minister in nareiszaken een integrale beoordeling moet maken van alle overlegde documenten en/of afgelegde verklaringen, tenzij een vreemdeling zijn deel van de samenwerkingsplicht overduidelijk niet is nagekomen. De minister betrekt daarbij ook alle andere relevante elementen van het desbetreffende geval. De eisen die de minister aan het geleverde bewijs stelt, moeten evenredig zijn aan die elementen. In Eritrese nareiszaken moet de minister rekening houden met de informatie in het ambtsbericht over de beschikbaarheid van Eritrese documenten. Als een vreemdeling stelt helemaal geen identiteitsdocumenten te bezitten, mag de minister een plausibele en op de persoon toegespitste verklaring verlangen. Anders dan voorheen, geldt dat de minister bovendien gemotiveerd moet beoordelen of een vreemdeling het voordeel van de twijfel verdient. Met name het belang van betrokken minderjarige kinderen speelt hierbij een belangrijke rol.
Oordeel rechtbank 10. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank een integrale beoordeling met alle overlegde documenten en verklaringen gemaakt. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat de identiteit van de moeder van referent niet aannemelijk is gemaakt. Niet in geschil is dat ten aanzien van haar identiteit geen enkel bewijsstuk is ingediend. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat de minister ten onrechte van moeder verlangt dat zij zich alsnog wendt tot de Eritrese autoriteiten om een document te verkrijgen, volgt de rechtbank eisers daarin niet. Uit het bestreden besluit en de toelichting van de gemachtigde van de minister tijdens de zitting blijkt niet dat de minister van de moeder van referent verlangt dat zij zich alsnog tot de Eritrese autoriteiten went.
De minister verlangt wel, conform de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022, dat eisers een plausibele en op de persoon toegespitste verklaring hebben voor ontbrekende identiteitsdocumenten. Aan de hand van pagina 30 van het AA Eritrea 2023 hebben eisers over de ontbrekende identiteitsdocumenten van de moeder van referent verklaard dat identiteitsdocumenten niet nodig waren in het gebied en dat moeder bekend was bij de autoriteiten. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eisers hiermee niet een voldoende plausibele, op de persoon toegespitste verklaring hebben gegeven voor de ontbrekende identiteitsdocumenten van de moeder van referent. Uit de algemene en beperkte verklaring van moeder kan niet worden afgeleid hoe zij zich heeft gered in het dagelijkse leven.
De enkele stelling in beroep dat de verklaring van de moeder van referent wordt ondersteund door de informatie in het AA Eritrea 2023, is onvoldoende.
Eisers hebben een aanvraag ingediend voor het hele gezin en de minister heeft de aanvragen gezamenlijk mogen beoordelen en een integrale beoordeling uitgevoerd ten aanzien van alle beschikbare documenten en verklaringen van de gezinsleden van referent. Voor zover het de bedoeling van eisers was dat alleen de vader en de broers en zussen van referent nareizen en dat moeder afstand had willen doen middels een toestemmingsverklaring, had het op de weg van eisers gelegen om deze wens naar voren te brengen. Eisers hebben verder aangevoerd dat als de vader en broers en zussen van referent een DNA-onderzoek wordt aangeboden, dat het dan onevenredig is om de moeder geen DNA-onderzoek aan te bieden.
Deze stelling van eisers gaat evenmin op, aangezien de minister geen DNA-onderzoek heeft hoeven aanbieden aan de vader en de broers en zussen van referent.
Conclusie en gevolgen 14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit van de minister in stand blijft. De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eisers en te bepalen dat de minister het griffierecht aan eisers moet vergoeden. De vergoeding voor de proceskosten bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Bootsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 28 april 2026.
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De rechtbank stelt vast dat WI 2022/7 is vervangen door WI 2024/4. Verweerder heeft in het verweerschrift zich beroepen op WI 2022/7. Eisers hebben de toepasselijkheid daarvan niet betwist. De rechtbank houdt daarom WI 2022/7 aan in deze uitspraak.