← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2026:1671

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.60294 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], V-nummer [nummer],[naam], V-nummer [nummer], gezamenlijk eisers, (gemachtigde: mr. Y.G.F.M Coedeners), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding 1.

  1. Deze uitspraak gaat over het opvolgende beroep dat eisers hebben ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de aanvragen tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf. 1.
  2. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank
  3. In een eerdere beroepsprocedure niet tijdig beslissen heeft de rechtbank de minister opgedragen om binnen een in die uitspraak bepaalde termijn alsnog een beslissing op de aanvragen te nemen. De minister heeft dit niet gedaan.
  4. Het beroep is kennelijk ontvankelijk en gegrond.
  5. De rechtbank stelt vast dat het dossier (mogelijk) nog niet compleet is, omdat de minister de bij de aanvragen ingediende documenten nog moet beoordelen, van plan is een herstelverzuim te sturen voor nadere documenten of informatie, of in afwachting is van een reactie op die herstelverzuimbrief. Dit betekent dat de minister in principe binnen acht weken een besluit op de aanvragen bekend moet maken. Echter, het gaat in deze zaak om een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen. Mede gelet op de beslistermijn die de rechtbank in een eerdere procedure heeft opgelegd en het tijdsverloop sindsdien, bepaalt de rechtbank daarom dat de minister binnen vier weken een beslissing op de aanvragen moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
  6. Eisers hebben gevraagd om een dwangsom op te leggen als de minister niet op tijd beslist. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-.
  7. De minister moet de door eisers gezamenlijk gemaakte proceskosten vergoeden. Bij de vaststelling van de hoogte van die proceskostenvergoeding houdt de rechtbank rekening met het feit dat sprake is van samenhangende zaken. De rechtbank stelt verder de wegingsfactor die gebruikt wordt bij het bepalen van de hoogte van de proceskostenvergoeding op 0,
  8. Hiertoe ziet zij aanleiding omdat de omvang van de werkzaamheden die redelijkerwijs nodig zijn voor een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen in beginsel beperkter is dan voor een eerste beroep. Dat betekent dat de proceskostenvergoeding zal worden vastgesteld op €233,
  9. De minister moet ook het betaalde griffierecht aan eisers vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt de minister op binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvragen bekend te maken. bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden; veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 233,50,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van A.S. van der Veen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Zie ook r.o. 6.2 ECLI:NL:RBDHA:2025:
  10. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,25.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.