Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2026:1694
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 26/356 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. E.W.V. Stevens en mr. A. Al-Edani).
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 31 augustus 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het besluit van 10 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.2.
Verweerder heeft op 13 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder deelgenomen. Als tolk was aanwezig M.A. Budak.
Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas 2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2004. Hij heeft – kort samengevat – het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser is van Koerdische afkomst en was lid van de HDP. Hij werd vals beschuldigd van het verspreiden van propaganda voor de PKK. Nadat deze aanklacht werd gepubliceerd is eiser ondergedoken bij een familielid, waarna hij Turkije met behulp van een smokkelaar heeft verlaten. Na zijn vertrek hebben de autoriteiten bij zijn vader naar hem gevraagd en is zijn ouderlijk huis doorzocht. Bij terugkeer vreest eiser een lange gevangenisstraf vanwege de aanklacht. Naast deze problemen wil eiser de dienstplicht niet vervullen vanwege gewetensbezwaren.
Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst; dienstplicht en problemen vanwege deelname aan demonstraties.
3.1.
Verweerder vindt het eerste en tweede asielmotief geloofwaardig. Dat eiser problemen heeft ondervonden vanwege zijn deelname aan een demonstratie vindt verweerder niet geloofwaardig. Eisers verklaringen over dit asielmotief vormen volgens verweerder namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ook kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd omdat hij meerdere juridische documenten heeft overgelegd die negatief zijn beoordeeld op echtheid. Tot slot heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij voor wat betreft de geloofwaardig geachte asielmotieven een vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Turkije. Verweerder wijst de asielaanvraag daarom af als ongegrond en legt aan eiser een terugkeerbesluit op.
Wat vindt eiser in beroep?
4.1.
Verder is verweerder ten onrechte niet inhoudelijk ingegaan op eisers opmerkingen en vragen over het gebruik van AI bij de totstandkoming van het rapport van Bureau Documenten. Ter onderbouwing verwijst eiser naar enkele uitspraken. Ook heeft er geen tactisch en technisch onderzoek plaatsgevonden naar de documenten en blijkt uit het rapport niet welke afwijkingen er zouden zijn geconstateerd. Ten aanzien van de vergewisplicht voert eiser aan dat verweerder, in strijd met het eigen beleid, heeft nagelaten het rapport van TOELT bij de besluitvorming te betrekken. Tot slot had verweerder op grond van WI 2022/22 een rapport over de beoordeling van de documenten moeten opstellen en aan eiser moeten overleggen.
4.2.
Voor wat betreft de problemen vanwege de deelname aan de demonstratie voert eiser aan dat verweerder de overgelegde documenten die zijn beoordeeld als niet-juist niet bij de besluitvorming had mogen betrekken. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waaruit blijkt dat eiser summier zou hebben verklaard over de demonstratie. Daarnaast onderbouwen eisers uitgebreide en correcte verklaringen over de HDP zijn lidmaatschap. Verder heeft verweerder nagelaten eiser in het voornemen te confronteren met zijn verklaringen over dat er bij zijn vader naar hem zou zijn gevraagd. Hierdoor heeft eiser hier pas in beroep op kunnen reageren. Tot slot heeft eiser niet ongerijmd verklaard over de uitreis. Eiser kon niet weten in hoeverre het uitreisverbod bekend was gemaakt en of dit tot problemen zou leiden.
4.3.
Ten aanzien van de vrees bij terugkeer voert eiser aan dat hij wel degelijk onoverkomelijke en zwaarwegende gewetensbezwaren heeft tegen de dienstplicht. Ook is het niet mogelijk de dienstplicht geheel af te kopen. Ten aanzien van de politieke overtuiging betoogt eiser dat deze ten onrechte ongeloofwaardig is bevonden. Bovendien heeft verweerder niet inzichtelijk getoetst aan zijn eigen beleid omtrent politieke overtuigingen en dit beleid in het voornemen niet kenbaar betrokken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Is het bestreden besluit gebrekkig omdat het niet is ondertekend?
Is het referentiekader onjuist of onvolledig vastgesteld?
Heeft verweerder de Terugkeerrichtlijn geschonden door geen vertaling te verstrekken?
Heeft verweerder de totstandkoming van het rapport van Bureau Documenten voldoende toegelicht?
9.1.
In beroep voert eiser verder aan dat verweerder de vergewisplicht heeft geschonden door de vergewisbrief van TOELT niet bij de besluitvorming te betrekken. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond niet. De vergewisbrief is weliswaar pas opgesteld na het voornemen, maar is wel degelijk betrokken in het bestreden besluit.
9.2.
Het betoog van eiser dat verweerder ten onrechte geen technisch onderzoek heeft verricht naar de documenten, slaagt niet. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij niet was gehouden om technisch onderzoek te doen omdat het in het geval van eiser ging om scans van documenten en technisch onderzoek alleen mogelijk is bij originele documenten.
9.3.
Voor zover eiser zich beroept op WI 2022/22 heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat deze werkinstructie ziet op reguliere zaken en dus niet van toepassing is op de asielzaak van eiser. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Mocht verweerder eisers gestelde problemen vanwege zijn deelname aan de demonstratie ongeloofwaardig vinden?
11.1.
Verder heeft verweerder mogen vinden dat eiser ongerijmd heeft verklaard over zijn lidmaatschap van de HDP. Verweerder heeft daarbij een zwaar gewicht mogen toekennen aan het feit dat het door eiser overgelegde document “bewijs van lidmaatschap van HDP” is beoordeeld als waarschijnlijk niet bevoegd opgemaakt en afgegeven.
11.2.
Weliswaar heeft verweerder in het bestreden besluit maar kort gemotiveerd waarom eiser summier zou hebben verklaard over de demonstratie, maar gelet op de verwijzingen naar de verklaringen die eiser tijdens het nader gehoor heeft afgelegd, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen vinden dat eiser niet uitgebreid over de demonstratie heeft verklaard.
11.3.
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig zou hebben verklaard over de datum waarop het huisbezoek bij zijn vader heeft plaatsgevonden. Eiser heeft eerst verklaard dat dit in december 2023 was en vervolgens, nadat hij geconfronteerd werd met de datum uit een van de documenten, dat dit in november 2023 was. Tijdens het nader gehoor heeft eiser deze tegenstrijdigheid direct gecorrigeerd en daarbij verklaard dat hij zich had vergist in de maand. In reactie daarop heeft de hoormedewerker gezegd dat dat geen probleem is en dat dat kan gebeuren. Wel heeft verweerder mogen vinden dat eiser onvoldoende precies heeft verklaard over hoe vaak zijn vader is meegenomen. Verweerder heeft mogen verwachten dat eiser hier met meer precisie over had kunnen verklaren nu het gaat om een ingrijpende gebeurtenis die bovendien verband houdt met eisers asielrelaas.
11.4.
Eiser heeft ook nog aangevoerd dat hij niet ongerijmd heeft verklaard over het uitreisverbod. Nu dat wat hierboven is overwogen al voldoende is om de problemen naar aanleiding van de demonstratie ongeloofwaardig te achten, behoeft deze beroepsgrond geen bespreking.
Mocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade?
Conclusie en gevolgen 15. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Halkların Demokratik Partisi (Peoples' Democratic Party).
Partiya Karkeren Kurdistan (Kurdistan Workers' Party).
Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw.
Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw.
Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:4082.
Dit is volgens eiser in strijd met artikel 12, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, Richtlijn 2008/115/EG (hierna: Tri).
ECLI:NL:RVS:2023:1622, r.o. 3.1, 4.
Werkinstructie (hierna: WI) 2024/6 ‘Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel)’, p. 2, 7.
Richtlijn 2011/95/EU (hierna: Kri).
Artificial intelligence.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 8 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12114, uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, van 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10064, uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14544, het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van 27 februari 2025, ECLI:EU:C:2025:117 (Dun & Bradstreet Austria).
Team Onderzoek en Expertise Land en Taal van de IND.
Werkinstructie ‘Alertheid op en beoordelen van documenten op documentfraude’.
Informatiebericht (hierna: IB) 2024/10 ‘Werkwijze politieke overtuiging’.
ECLI:NL:RVS:2023:4082.
Zie onder meer de uitspraken van deze rechtbank van 25 en 28 november 2024 en 6 december 2024; ECLI:NL:RBNHO:2024:12245, NL23.39929 en ECLI:NL:RBNHO:2024:12634.
Verslag van het nader gehoor van 8 september 2025, p. 11, 13-14.
Idem, p. 17.
Als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw.
Verslag van het nader gehoor, p. 16.
Verslag van het nader gehoor, p. 20.