Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2026:1942
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: AWB25/23435 en NL25.60210 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, geboren op [geboortedatum], van Turkse nationaliteit, V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. R.J. Schenkman), en het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa, alsmede de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 22 november 2025. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 22 november 2025 in een HTL in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 21 november 2025 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
Eiser heeft op 8 december 2025 gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 31 december 2025 een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister en het COa deelgenomen via een Teams-verbinding.
Beoordeling door de rechtbank 2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt wel een vergoeding van de proceskosten. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.
Het beroep tegen het plaatsingsbesluit Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit 3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt – kort samengevat – het volgende. Op 19 november 2025 is de beveiliging van de COa-locatie Oostrum op de hoogte gebracht van het feit dat eiser merkbaar onder invloed verkeerde. Toen de COa-medewerker aan eiser vroeg wat hij nodig had, zei eiser dat hij cocaïne wilde. Hierop sloeg eiser zichzelf meermaals hard in het gezicht met gebalde vuist, en gaf hij aan dat hij gestoord was. Eiser trok vervolgens zijn bovenkleding uit en stond te schreeuwen met ontbloot bovenlichaam. De beveiliging zag dat eiser een aardappelschilmesje in zijn broekzak had, en gebruikte de trui van eiser om het mes veilig weg te nemen. Hierop werd eiser agressief en liep hij op de COa-medewerker af, maar werd door de beveiliging naar de grond gewerkt. Daar bleef eiser zich verzetten en spuugde hij op de grond. Medebewoners die de Turkse taal machtig zijn verklaarden dat eiser uitlatingen deed als: “COa mag mij dood maken”, “ik ga iedereen vermoorden” en “ik ga medewerker 1 neersteken”. De politie heeft eiser afgevoerd met een spuugmasker op.
Wat vindt eiser?
4.1.
Verder voert eiser aan dat het incident niet van zeer grote impact is. Eiser heeft slechts zichzelf geslagen, en er was alcohol in het spel. Openbare dronkenschap en algemene uitingen van eiser vallen onder gedragingen van middelgrote impact. Er is derhalve hooguit sprake van een gedraging met middelgrote impact. Dit volgt volgens eiser ook uit het feit dat de maatregel pas drie dagen na het incident is opgelegd.
Oordeel van de rechtbank 5. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen reden om te twijfelen aan de verslaglegging van het incident. De rechtbank is van oordeel dat in het plaatsingsbesluit het incident en de feitelijke gedragingen van eiser gedetailleerd zijn omschreven. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het COa het incident en de feitelijke gedragingen niet deugdelijk heeft onderzocht en vastgelegd. Dat eiser zich het incident niet goed kan herinneren omdat hij onder invloed was, doet niet af aan de ernst van de gedragingen.
5.1.
Ook de impact van het incident is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd uiteengezet. Door de minister is terecht verwezen naar het Maatregelenbeleid, waaruit blijkt dat sprake is van een incident met zeer grote impact wanneer er sprake is van agressie en geweld tegen medebewoners en/of derden, zoals gedrag met als doel de ander ernstig te bedreigen of fysieke schade toe te brengen. Het COa heeft het voorhanden hebben van een wapen, in combinatie met de dreigende houding en de verbale bedreigingen richting medewerker 1 terecht aangemerkt als gedrag met als doel de ander ernstig te bedreigen.
5.2.
Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.
Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel 6. Ten aanzien van de vrijheidsbeperkende maatregel voert eiser aan dat deze prematuur is opgelegd, nu een dag later pas het plaatsingsbesluit is opgelegd.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat de vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd op 21 november 2025, terwijl het plaatsingsbesluit dateert van 22 november 2025. Nu de vrijheidsbeperkende maatregel voor de motivering volledig steunt op het plaatsingsbesluit, dat ten tijde van het opleggen van de maatregel nog niet was genomen, is de vrijheidsbeperkende maatregel ondeugdelijk gemotiveerd. Dit levert wel een formeel gebrek op. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, omdat niet aannemelijk is dat eiser door dit gebrek in zijn belangen is geschaad. Eiser is op de dag van zijn aankomst op de HTL over de kwestie gehoord in het kader van de vrijheidsbeperkende maatregel, die vervolgens is genomen. De volgende dag is het plaatsingsbesluit opgelegd. Dit had zeker te maken met het late moment van aankomst van eiser.
Conclusie en gevolgen 7. Dit betekent dus dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL mocht nemen en ook de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mocht nemen. Eiser krijgt dus ook geen schadevergoeding.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 5 februari 2026 door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. de griffier de rechter is buiten staat te tekenen Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van het proces-verbaal. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.
Handhaving- en Toezichtlocatie.
Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
Vreemdelingenwet 2000.
Maatregelenbeleid COa, 28 mei 2025, paragraaf 4.1.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1602, rechtsoverweging 14.1.
Besluit proceskosten bestuursrecht.