← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2026:2105

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/7771 T2 tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., gevestigd te Nijmegen (MOB), (gemachtigde: mr. V. Wösten), en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (gemachtigde: mr. C.J. Visser). Procesverloop In de tussenuitspraak van 23 oktober 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Voor het verdere procesverloop verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak. Bij brief van 13 januari 2026 heeft het college de rechtbank verzocht de in de tussenuitspraak gestelde termijn te verlengen. Overwegingen

  1. Het college heeft zijn verzoek om verlenging van de termijn om de gebreken te herstellen gedaan binnen de oorspronkelijke termijn die de rechtbank hiervoor heeft gesteld in de tussenuitspraak.
  2. Slechts in bijzondere gevallen willigt de rechtbank zo’n verzoek om verlenging van de in de tussenuitspraak gestelde termijn in. Het verzoek om verlenging moet daarom zijn gemotiveerd. De rechtbank verwijst naar de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 april 2010 en 21 september
  3. De reden waarom het college de rechtbank verzoekt om verlenging van de termijn is dat de aard en omvang van de door de rechtbank vastgestelde gebreken met zich brengen dat voor het nemen van een herstelbesluit intensieve interne afstemming noodzakelijk is, alsmede nadere externe afstemming met betrokken deskundigen en adviseurs. Deze afstemming vergt voor het college meer tijd dan aanvankelijk voorzien. Het college verzoekt de rechtbank een termijn van acht weken uitstel te verlenen voor het nemen van het herstelbesluit.
  4. Gelet op de aard en omvang van de in de tussenuitspraak gegeven herstelmogelijkheid aan het college en de benodigde interne en externe afstemming, is volgens de rechtbank sprake van een bijzonder geval dat verlenging van de termijn rechtvaardigt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat elke andere beslissing van de rechtbank - met name de einduitspraak waarbij het college de opdracht krijgt een nieuw besluit te nemen - naar alle waarschijnlijkheid tot een minder finale vorm van geschilbeslechting leidt.
  5. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Beslissing De rechtbank: - stelt het college tot uiterlijk 13 maart 2026 in de gelegenheid de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de eerste tussenuitspraak; - houdt iedere verdere beslissing aan. Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, voorzitter, en mr. R.H. Smits en mr. A.J. van der Ven, leden, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 januari
  6. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. ECLI:NL:RVS:2010:BM
  7. ECLI:NL:RVS:2011:BT2162.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.