← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2026:2159

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: AWB 25/1089 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2026 in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [nummer], eiser, en het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder (gemachtigde: mr. E. Sweerts). Samenvatting

  1. Bij besluit van 27 december 2024 heeft verweerder het leefgeld van eiser van één week (€ 14,47) ingehouden, omdat eiser zijn medebewoners zou hebben bedreigd. Eiser is het hier niet mee eens en stelt dat er sprake is van een misverstand. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank of verweerder het leefgeld van eiser mocht inhouden. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat dat het geval is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop
  2. Bij besluit van 27 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het leefgeld van eiser van één week (€ 14,47) ingehouden. 2.
  3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.
  4. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 2.
  5. De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit
  6. Eiser verbleef ten tijde van het bestreden besluit in de opvanglocatie van verweerder te Heerhugowaard.
  7. Verweerder heeft het bestreden besluit genomen omdat eiser zich op 26 december 2024 verbaal agressief zou hebben geuit richting zijn medebewoners en daarbij verbale dreigementen zou hebben geuit. Juridisch kader
  8. Op grond van artikel 5 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers staat er rechtstreeks beroep bij de rechtbank open tegen besluiten tot het onthouden van verstrekkingen bij of krachtens deze wet. In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rva is bepaald dat een asielzoeker die onderdak heeft in een opvangvoorziening (hierna: een bewoner) een wekelijkse financiële toelage ontvangt ten behoeve van voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven (hierna: leefgeld). Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h, van de Rva heeft verweerder de bevoegdheid om het leefgeld van een bewoner in te houden wanneer die bewoner ernstig inbreuk maakt op de verplichtingen bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Rva. Op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rva is een bewoner verplicht de huisregels na te leven die zijn neergelegd in het reglement van de desbetreffende opvangvoorziening. Uit de door verweerder overgelegde huisregels blijkt dat op COA-opvanglocaties elke vorm van agressie en geweld tegen anderen verboden is en wordt bestraft. De werkwijze van verweerder bij het opleggen van maatregelen is neergelegd in het Maatregelenbeleid COA. Deze maatregelen worden ook wel rov-maatregelen genoemd. In het Maatregelenbeleid COA is bepaald op welke wijze verweerder gebruik maakt van de bevoegdheid om verstrekkingen geheel of gedeeltelijk te onthouden. Als sprake is van een incident met geringe impact, kan verweerder aan een bewoner een rov-maatregel opleggen van categorie
  9. Als voorbeeld van een incident met een geringe impact wordt in het Maatregelenbeleid COA genoemd “lichte agressie en geweld zonder schade (niet op de persoon gericht), zoals negatieve uitlatingen over medebewoners in een gesprek met een COA-medewerker”. Wanneer er een rov-maatregel wordt opgelegd van categorie 1, zoals hier is gebeurd, wordt het leefgeld ingehouden voor een maximale periode van een week. Standpunt eiser
  10. Eiser is het niet eens met de aan hem opgelegde maatregel. Hij stelt dat hij zijn medebewoners slechts aan wilde sporen om de keuken en de badkamer schoon te houden. Er is dus sprake van een misverstand. Hij heeft ook met niemand gevochten of enige vorm van geweld gebruikt. Is aannemelijk dat eiser zijn medebewoners heeft bedreigd?
  11. In het door verweerder overgelegde incidentenlogboek valt te lezen dat er op 26 december 2024 een discussie is geweest tussen eiser en zijn medebewoners over het schoonmaken van het appartement waar zij verblijven. Verder blijkt er uit dit incidentenlogboek dat één van de medebewoners van eiser tegenover het COA-personeel heeft verklaard dat eiser “I’m gonna stab you” tegen hem heeft gezegd, dat het COA-personeel dit vervolgens heeft nagevraagd bij eiser en dat eiser toen heeft toegegeven dat hij dat inderdaad had gezegd.
  12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee aannemelijk heeft gemaakt dat eiser (één van) zijn medebewoners verbaal heeft bedreigd. De (niet verder toegelichte) stelling van eiser dat er sprake is geweest van een misverstand, is onvoldoende om te twijfelen aan de weergave van de feiten door verweerder. Mocht verweerder op grond hiervan het leefgeld inhouden?
  13. In de huisregels van verweerder staat dat elke vorm van (het aanzetten tot) agressie en geweld tegen anderen verboden is en wordt bestraft. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het aan eiser verweten gedrag heeft kunnen aanmerken als een ernstige inbreuk op deze huisregels zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid onder h, van de Rva en artikel 19, eerste lid onder a, van de Rva. Dat betekent dat verweerder bevoegd was om een rov-maatregel aan eiser op te leggen. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder het aan eiser verweten gedrag heeft kunnen kwalificeren als een incident met geringe impact zoals bedoeld in het Maatregelenbeleid COA. Verweerder mocht daardoor een rov-maatregel opleggen van categorie 1, waarbij het leefgeld van maximaal van één week wordt ingehouden. Overigens had verweerder daarbij ook kunnen kiezen voor een zwaardere rov-maatregel van categorie 2, passend bij “agressie en geweld met een kleine impact, zoals een woordenwisseling of kleine ruzie”. Conclusie en gevolgen
  14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De opgelegde maatregel blijft dus in stand. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van A.R. de Groot, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 februari
  15. De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 Reglement onthouding verstrekkingen

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.