Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummers: FA RK 24-7595 (scheiding) en FA RK 25-2179 (verdeling) Zaaknummers: C/09/674531 (scheiding) en C/09/682329 (verdeling) Datum beschikking: 8 januari 2026 Echtscheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 23 oktober 2024 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. C.M. Suurmeijer te Utrecht. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, volgens de Basisregistratie Personen vanaf 26 september 2025 zonder bekende woon- en/of verblijfplaats binnen of buiten Nederland, advocaat: voorheen mr. S. el Yaakoubi te Amsterdam en mr. D.E. van Oeveren te Amsterdam, nu mr. W.D. van Doorn te Amsterdam. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - het F9-formulier van 15 november 2024 van de advocaat van de vrouw, met bijlage; - het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek; - het verweer tegen het zelfstandig verzoek; - het F9-formulier van 25 november 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen. Op 27 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk H. Abdulla; - de advocaat van de man. De man is niet persoonlijk op de zitting verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn advocaat. Feiten - Partijen zijn met elkaar gehuwd op [dag] 2015 te [plaats] , Filipijnen. - In de huwelijksakte is opgenomen dat de man de Egyptische nationaliteit had en de vrouw de Filipijnse nationaliteit. - In de Basisregistratie Personen (BRP) is opgenomen dat de man en de vrouw de Nederlandse nationaliteit hebben. Verzoek en verweer Het verzoek van de vrouw strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot: - bepaling dat de vrouw het huurrecht van de echtelijke woning aan de [adres] zal voortzetten; - veroordeling van partijen om met elkaar over te gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap; een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De man heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken met nevenvoorzieningen tot: - toekenning van het huurrecht van de (voormalige) echtelijke woning aan de [adres] , aan de man; - vaststelling van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen zoals door de man is beschreven en verzocht; - kosten rechtens; een en ander uitvoerbaar bij voorraad. De vrouw heeft zich ten aanzien van verzoeken van de man in de punten 21 tot en met 24 van het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De vrouw heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de vrouw zelfstandig verzocht: - de man te bevelen volledige inzage te verschaffen in de bestemming van de geleende gelden; - primair te bepalen dat de man volledig draagplichtig is voor de schulden genoemd in de punten 7, 8 en 9 van het verweerschrift op zelfstandig verzoek; - subsidiair te bepalen dat de aangekochte appartementen verkocht worden en de opbrengst wordt aangewend voor de aflossing van de door de man ontstane schulden genoemd in de punten 7, 8 en 9 van het verweerschrift op zelfstandig verzoek; - meer subsidiair te bepalen dat de aangekochte appartementen in de gemeenschap vallen en bij helfte moeten worden verdeeld; - kosten rechtens. Beoordeling Echtscheiding Rechtsmacht en toepasselijk recht De vrouw stelt dat de vrouw de Filipijnse en Nederlandse nationaliteit heeft en dat de man de Egyptische en Nederlandse nationaliteit heeft. Dat beide echtgenoten de Nederlandse nationaliteit hebben is ook uit de BRP af te leiden. De rechtbank gaat daar daarom van uit. Nu beide echtgenoten de Nederlandse nationaliteit hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing. Inhoudelijke beoordeling De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit erkend, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen. Huurrecht echtelijke woning Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot de verzoeken tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning en worden deze verzoeken volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst. Standpunt vrouw De vrouw heeft verzocht om toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning. Zij heeft aangegeven dat zij financieel in staat is om de huurlasten van de woning te dragen. Ook is het werk van de vrouw in de buurt van de woning. Verder heeft de vrouw aangevoerd dat de man naar Egypte is vertrokken en hij daarom geen belang meer heeft bij het huurrecht van de echtelijke woning. Standpunt man De man heeft eveneens verzocht om het huurrecht van de echtelijke woning. Hij heeft gesteld dat hij in Nederland woont en fulltime werkt. Bovendien heeft de man geen familieleden in Nederland waar hij kan verblijven. De vrouw heeft wel vrienden die in Nederland wonen, waar zij zou kunnen verblijven. Gelet hierop heeft de man een groter belang bij het huurrecht van de woning. Overwegingen rechtbank De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw verblijft op dit moment in de echtelijke woning. Zij heeft onderbouwd gesteld dat de man naar Egypte is vertrokken en daar nu leeft. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vrouw een groter belang heeft dan de man bij het huurrecht van de echtelijke woning. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook toewijzen en het verzoek van de man afwijzen. Verdeling huwelijksgemeenschap Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels). Niet gebleken is dat de echtgenoten vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen. Nu de echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting geen gemeenschappelijke nationaliteit hadden in de zin van artikel 15 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130, en zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk niet op het grondgebied van dezelfde staat vestigden, wordt krachtens artikel 4, derde lid, van genoemd verdrag hun huwelijksvermogensregime beheerst door het recht van de staat waarmee het, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het nauwst verbonden is. Beide partijen zijn van mening dat op grond van artikel 4, derde lid, van genoemd verdrag het huwelijksgoederenregime beheerst wordt door Nederlands recht. De rechtbank volgt partijen hierin. Uit de BRP blijkt dat de man van september 2015 tot september 2025 in Nederland heeft verbleven en dat de vrouw sinds augustus 2016 in Nederland verblijft. Partijen hebben daarnaast inmiddels de Nederlandse nationaliteit. De conclusie is dan ook dat het huwelijksvermogensregime van partijen het nauwst verbonden is met Nederland. Dit brengt mee dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Inhoudelijke beoordeling Partijen zijn op [dag] 2015 met elkaar gehuwd. Niet gesteld of gebleken is dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Het uitgangspunt is dan dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW) bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld. Peildatum Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 23 oktober 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. De rechtbank zal, zoals te doen gebruikelijk bij bankrekeningen en nu partijen niet anders zijn overeengekomen, als peildatum hanteren de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 23 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.