Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 24-8767 Zaaknummer: C/09/676866 Datum beschikking: 8 januari 2026 Verklaring van overlijden Beschikking op het op 4 december 2024 ingekomen verzoekschrift van: [verzoekster] , verzoekster, tevens zus van vermiste, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. J.J.H. Jung te Amsterdam. betreffende de vermissing van: [de vermiste] , in de basisregistratie personen (BRP) geregistreerd als [de vermiste] , de vermiste/de betrokkene, laatstelijk verblijvende te [plaats] . Als belanghebbenden worden aangemerkt: [de zoon 1] , de zoon van vermiste, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [de zoon 2] , de zoon van vermiste, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [de zus] , de zus van vermiste, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [de broer] , de broer van vermiste, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift, met bijlagen; - de schriftelijke conclusie van de officier van justitie van 26 mei 2025; - de instemmingsverklaring van [de zus] van 5 maart 2025; - de e-mail van [de zus] van 3 december 2025. Op 4 december 2025 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoekster, bijgestaan door haar advocaat; de broer van de betrokkene; de zoons van de betrokkene. De andere zus van betrokkene, [de zus] , is met bericht van afwezigheid, niet op de zitting verschenen. Verzoek Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank zal verklaren dat [de vermiste] , geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats ] , Turkije, gewoond hebbende te [plaats] , tussen 22 november 2002 en 2 december 2002 is overleden te [plaats] , althans overleden op een door de rechtbank te bepalen dag, tijdstip en plaats. De zoons van betrokkene hebben verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht De rechtbank is op grond van artikel 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevoegd van de voorliggende verzoeken kennis te nemen en past bij gebrek aan nadere conflictregels het Nederlandse recht toe. Gelet op artikel 267 Rv is onderhavige rechtbank bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. Verklaring van overlijden Ontvankelijkheid Op grond van het eerste lid van artikel 1:426 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan, indien het lichaam van een vermist persoon niet is teruggevonden maar, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het overlijden als zeker kan worden beschouwd, op het verzoek van het openbaar ministerie of van iedere belanghebbende de rechtbank verklaren dat de betreffende persoon is overleden, indien: de vermissing heeft plaatsgevonden in Nederland; de vermissing heeft plaatsgevonden tijdens een reis met een in Nederland thuisbehorend schip of luchtvaartuig; de vermiste Nederlander was; e vermiste zijn woon- of verblijfplaats had in Nederland. Omdat de vermiste in Nederland haar woonplaats had, kan verzoekster worden ontvangen in haar verzoek. Inhoudelijke beoordeling Op de zitting is gesproken over de vermissing van betrokkene. Daarbij is naar voren gekomen dat het verleden diepe littekens heeft achtergelaten op de huidige verhoudingen binnen de familie(s). Tussen de broer en zussen van betrokkene enerzijds en haar zonen anderzijds bestaat geen contact meer. Het verzoek tot vaststelling van overlijden is de zoons daarom rauw op hun dak gevallen. Zij hebben aangegeven dat zij grote moeite hebben met de aannames die door de zijde van de familie van verzoekster worden gemaakt over de vermissing van hun moeder. Ze vinden het daarnaast emotioneel zwaar dat haar overlijden nu zal worden vastgesteld, ook omdat zij geen zicht hebben op de (erfrechtelijke) gevolgen daarvan. Hoezeer de rechtbank deze verhoudingen ook betreurt, gaat het in onderhavig geval om het verzoek tot vaststelling van het overlijden. De zoons van betrokkene hebben in hun verweer geen inhoudelijke standpunten naar voren gebracht, op basis waarvan twijfel is ontstaan over de vraag of betrokkene is overleden. Gebleken is dat betrokkene inmiddels ruim 23 jaar is vermist. Betrokkene is op 22 november 2002 voor het laatst in leven gezien. Sindsdien is van haar geen enkel teken van leven vernomen en er is ook nooit een lichaam gevonden. Haar ex-echtgenoot is in 2004 aangehouden in verband met verdenking van moord op betrokkene. Hij is door de Rechtbank Haarlem op 20 januari 2009 veroordeeld voor doodslag. Het Gerechtshof Amsterdam heeft hem op 8 juli 2011 vrijgesproken. Hoewel het onduidelijk zal blijven wat er precies is gebeurd, is de rechtbank met de Officier van Justititie van oordeel dat – alle omstandigheden in aanmerking genomen – het overlijden van betrokkene inmiddels als zeker kan worden beschouwd. Ten aanzien van de dag van overlijden, heeft de rechtbank op de zitting met de aanwezigen besproken dat het vaststellen van een periode waarin betrokkene mogelijk is overleden, moeilijkheden kan opleveren voor het opmaken van de overlijdensakte. De rechter zal daarom – conform de wettekst – een dag van overlijden vaststellen, nu geen exacte datum bekend is. De rechtbank gaat daarbij uit van de dag na de laatste dag dat betrokkene nog (levend) is gezien en zal [datum] 2002 als dag van overlijden vaststellen. Het verzoek is gegrond op artikel 1:426 eerste lid, sub a BW en kan als na te melden worden toegewezen. Beslissing De rechtbank: verklaart dat op [datum] 2002, is overleden: [de vermiste] , in de basisregistratie personen opgenomen als: [de vermiste] , vrouw, geboren te [geboorteplaats ] , Turkije op [geboortedatum] 1972, gewoond hebbende te [plaats] , tot 9 november 1992 gehuwd geweest met [naam] . Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 8 januari 2026.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.