ECLI:NL:RBDHA:2026:2261
Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummers: FA RK 24-8310 (scheiding) en FA RK 25-2531 (verdeling) Zaaknummers: C/09/675938 (scheiding) en C/09/683026 (verdeling) Datum beschikking: 6 januari 2026 Echtscheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 15 november 2024 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. E.D. Radenovska te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. J.A. van der Heiden te Honselersdijk.
Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
De minderjarige [de minderjarige] heeft in raadkamer zijn mening kenbaar gemaakt.
Op 9 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Het betrof een gecombineerde behandeling van zowel de onderhavige procedure als de procedure over de alimentatie van [de jong-meerderjarige] (zaak- en rekestnummer C/09/695363 / FA RK 25-9023). De uitspraak daarvan is in een aparte beschikking vastgelegd. Op de zitting van 9 december 2025 zijn verschenen:
Feiten
Verzoek en verweer De vrouw heeft – na aanvulling – verzocht de echtscheiding uit te spreken met nevenvoorzieningen tot:
De man heeft verzocht het verzoek om de echtscheiding uit te spreken toe te wijzen. De man heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht tot:
De vrouw heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw aanvullend/gewijzigd verzocht: primair:
Bij F9-formulier van 28 november 2025 heeft de man zijn verzoek ten aanzien van de kinderalimentatie gewijzigd en verzoekt nu te bepalen dat de man een bedrag aan kinderalimentatie dient te voldoen voor [de minderjarige] van maximaal € 116,- per maand, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.
Bij F9-formulier van 28 november 2025 heeft de vrouw haar verzoek ten aanzien van de kinderalimentatie gewijzigd en verzoekt nu te bepalen dat de man bij datum beschikking als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van [de minderjarige] een bedrag van € 342,- per maand bij vooruitbetaling aan de vrouw zal voldoen, althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vernemen te behoren.
Beoordeling Echtscheiding Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Ontvankelijkheid Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om ten aanzien van de minderjarige tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist en heeft eveneens verzocht om de echtscheiding uit te spreken, zodat de verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond kunnen worden toegewezen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
Juridisch kader Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a van het BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van sub a van het tweede lid van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen. Het is de rechtbank, gelet op het vijfde lid van voornoemd artikel, niet gelukt om een vergelijk tussen de ouders te beproeven. De rechtbank neemt daarom een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Standpunt man De man heeft toegelicht dat een vaste zorgregeling momenteel praktisch niet mogelijk is, omdat hij tijdelijk bij een collega woont. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij de door hem verzochte zorg- en vakantieregeling voorstaat zodra hij een eigen woning heeft.
Standpunt vrouw De vrouw heeft zich verzet tegen de door de man verzochte zorg- en vakantieregeling. De vrouw wil in onderling overleg een zorgregeling afspreken, zodra de man een eigen woning beschikt waar [de minderjarige] een eigen kamer kan hebben. Partijen zullen dan ook de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte verdelen.
Overwegingen rechtbank De rechtbank zal geen zorg- en vakantieregeling tussen de man en [de minderjarige] vaststellen. De reden daarvoor is dat de woonsituatie van de man te onzeker is. Daarbij heeft de man nu geen concrete plannen om met [de minderjarige] op vakantie te gaan. De rechtbank overweegt dat de man op dit moment geen eigen woning heeft en bij een collega woont. [de minderjarige] woont bij de vrouw, maar hij heeft wel regelmatig contact met de man. Zodra de man over een eigen woning beschikt, moeten partijen met elkaar afspraken maken over het contact tussen de man en [de minderjarige] . De rechtbank merkt op dat de door de man verzochte zorgregeling in beginsel passend lijkt, mits de woning van de man ook in de buurt van de school van [de minderjarige] ligt.
Kinderalimentatie Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu [de minderjarige] in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling Bij de vaststelling en de berekening van de kinderalimentatie neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. Omdat bij de voorlopige voorzieningenprocedure van 27 november 2024 al een voorlopige bijdrage aan kinderalimentatie voor [de minderjarige] is vastgelegd van € 293,50 per maand, zal de rechtbank de bijdrage aan kinderalimentatie vaststellen per datum van deze beschikking.
Behoefte Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de minderjarige] en [de jong-meerderjarige] in 2025 € 1.206,- bedraagt. De rechtbank zal daarom uitgaan van een behoefte van [de minderjarige] van € 603,- in 2025.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding de behoefte van [de minderjarige] tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht De behoefte van [de minderjarige] moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders dient conform de aanbevelingen uit het rapport in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.310)].
Draagkracht vrouw Partijen zijn het eens dat voor de berekening van de draagkracht van de vrouw moet worden uitgegaan van de winst uit onderneming over januari tot en met september 2025. Uit productie 15 blijkt dat de winst uit onderneming over januari tot en met september 2025 € 30.650,29 bruto bedroeg. Voor de berekening extrapoleert de rechtbank dit naar een volledig jaar. De rechtbank houdt daarom aan de zijde van de vrouw rekening met een winst uit onderneming van € 40.867,- bruto per jaar en een MKB-winstvrijstelling van € 5.190,-.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens op € 6.087,- per jaar.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen: de algemene heffingskorting; de arbeidskorting;
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2025 op € 3.371,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 735,- per maand (70% x [3.371 - (0,3 x 3.371 + 1.310)]).
Draagkracht man Partijen zijn het eens dat voor de berekening van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van een inkomen van € 3.844,- bruto per maand, zoals blijkt uit de door de man overgelegde salarisspecificaties van september tot en met november 2025. Daarbij houdt de rechtbank rekening met 8% vakantietoeslag en de pensioenpremies van € 172,- per maand.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen: de algemene heffingskorting; de arbeidskorting;
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 3.136,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 620,- per maand (70% x [3.136 - (0,3 x 3.136 + 1.310)]).
Draagkrachtvergelijking en zorgkorting De draagkracht van de ouders bedraagt gezamenlijk € 1.355,- per maand (€ 735,- + € 620,-). Dit is voldoende om volledig in de behoefte van [de minderjarige] en [de jong-meerderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man voor [de minderjarige] bedraagt: 620 / 1.355 x 603 = € 276,- Het eigen aandeel van de vrouw voor [de minderjarige] bedraagt: 735 / 1.355 x 603 = € 327,- samen € 603,- Van de behoefte van [de minderjarige] komt een gedeelte van € 276,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 327,- komt voor rekening van de vrouw.
Vanwege het beperkte contact tussen de man en [de minderjarige] zal de rechtbank uitgaan van een zorgkorting van 5%. De zorgkorting voor [de minderjarige] bedraagt dan € 30,- per maand (5% van € 603,-).
Conclusie De rechtbank zal beslissen dat de man met ingang van 6 januari 2026 een bedrag van € 246,- (€ 276,- - € 30,-) per maand aan de vrouw moet betalen aan kinderalimentatie voor [de minderjarige] .
Verdeling huwelijksgemeenschap Partijen zijn op [datum] 2006 met elkaar gehuwd. Niet gesteld of gebleken is dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Het uitgangspunt is dan dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW) bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.
Peildatum Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 15 november 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.
Omvang De man en de vrouw hebben de volgende vermogensbestanddelen ter beoordeling aangedragen: het woonhuis aan de [adres] met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening; de inboedel; de bankrekeningen;
Ad a. het woonhuis De vrouw heeft aangegeven dat zij de echtelijke woning wil overnemen. Op de zitting is besproken dat de vrouw tot medio februari 2026 de gelegenheid krijgt om te bezien of zij de man kan uitkopen. Mocht dat niet lukken, dan moet de woning worden verkocht. Op de zitting heeft de vrouw ermee ingestemd om de taxatie (en de eventuele verkoop van de woning) via Hooghlanden Makelaars te laten verlopen. De rechtbank zal in het dictum een ‘spoorboekje’ opnemen, waarin is opgenomen hoe invulling moet worden gegeven aan een eventuele overname van de echtelijke woning door de vrouw. en, als de vrouw daartoe niet in staat is, aan de verkoop van de echtelijke woning en verdeling van de overwaarde.
Ad b. de inboedel De vrouw heeft gesteld dat de man de woning heeft verlaten en zijn goederen heeft meegenomen. De vrouw heeft alle goederen behorende tot de inboedel gekocht. De vrouw heeft daarom verzocht de inboedel zonder verrekening aan haar toe te delen. De vrouw heeft ook een inboedellijst opgesteld, waarbij de waarde van de inboedel (zonder fietsen van de kinderen) op € 5.364,- is berekend.
De man heeft ingestemd met toedeling van de inboedel aan de vrouw, mits zij de helft van de waarde van de inboedel aan de man vergoedt. De man heeft gesteld dat een gemiddelde inboedel € 5.000,- waard is. De man heeft verzocht de inboedel aan de vrouw toe te delen en te bepalen dat de vrouw € 2.500,- aan hem moet voldoen.
De rechtbank kan op basis van de stukken en dat wat op de zitting is besproken niet vaststellen wat de waarde van de inboedel is, maar de ervaring leert dat de waarde van een inboedel doorgaans beperkt is, tenzij sprake is van bijzondere bestanddelen. Dit is door geen van partijen aangevoerd. Gelet op de stellingen van partijen over de waarde van de inboedel, zal de rechtbank de inboedel aan de vrouw toedelen op basis van een geschatte waarde van € 5.000,-. De vrouw moet de helft van deze waarde voldoen aan de man.
Ad c. de bankrekeningen Partijen zijn het erover eens dat de bankrekeningen worden toegedeeld aan de partij op wiens naam de rekening staat, zonder verrekening van de saldi. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Ad d. de auto Op de zitting heeft de vrouw aangegeven dat de auto inmiddels is gesloopt en zij daar geen vergoeding voor heeft gekregen. De man heeft dit niet betwist. Op dit verzoek hoeft daarom niet meer te worden beslist.
Ad e. de fietsen De vrouw heeft gesteld dat de fietsen van de kinderen een totale waarde hebben van € 2.858,-. De vrouw heeft verzocht de fietsen aan haar toe te delen en te bepalen dat de man een bedrag van € 1.429,- aan haar dient te voldoen.
De man heeft ingestemd met toedeling van de fietsen aan de vrouw, onder de voorwaarde dat de vrouw € 1.429,- aan hem zal vergoeden.
De rechtbank overweegt dat de fietsen buiten de verdeling vallen, omdat deze toebehoren aan de kinderen. De rechtbank zal de verzoeken daarom afwijzen.
Ad f. de eenmanszaak [eenmanszaak] Partijen zijn het eens dat de eenmanszaak van de vrouw aan de vrouw wordt toegedeeld zonder nadere verrekening, onder de verplichting dat alle schulden van de eenmanszaak voor rekening van de vrouw komen. De rechtbank zal aldus beslissen.
Ad g. schuld aan de heer [naam 2] De vrouw heeft aangevoerd dat zij een schuld van € 47.000,- aan de heer [naam 2] heeft voor de aankoop van horecazaak [horecazaak] . De vrouw heeft aangegeven dat er momenteel een procedure loopt met betrekking tot de ontbinding van de koopovereenkomst door de vrouw en de activiteiten van de horecazaak in afwachting van een beslissing van de rechtbank in die procedure zijn gestaakt. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van partijen blijft bestaan, tenzij de schuldeiser één van de partijen daaruit heeft ontslagen en dus indien één van de partijen een bepaalde gemeenschappelijke schuld volledig voor zijn/haar rekening heeft genomen, waarna hij/zij de helft van de schuld van de andere partij kan vorderen of verrekenen.
De man heeft het bestaan van deze schuld betwist.
De rechtbank overweegt dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen, omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW. Gelet op artikel 1:100, tweede lid, BW geldt in de onderlinge verhouding tussen partijen dat, voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, deze schulden door beide partijen voor een gelijk deel worden gedragen. Dit kan anders zijn als dat schriftelijk is overeengekomen of als uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW. Gelet hierop overweegt de rechtbank dat in het geval de schuld aan de heer [naam 2] op enig moment moet worden betaald, daarvoor geldt dat beide partijen voor de helft draagplichtig zijn.
Ad h. lening bij ING De vrouw heeft gesteld dat de lening bij de ING € 10.000,- bedroeg, waarvan de vrouw op de peildatum € 5.250,- heeft afgelost. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van partijen blijft bestaan, tenzij de schuldeiser één van de partijen daaruit heeft ontslagen en dus indien één van de partijen een bepaalde gemeenschappelijke schuld volledig voor zijn/haar rekening heeft genomen, waarna hij/zij de helft van de schuld van de andere partij kan vorderen of verrekenen.
De man heeft het bestaan van deze schuld betwist.
Uit het door de vrouw overgelegde jaaroverzicht 2024 (productie 8) blijkt dat er op 31 december 2024 nog een bedrag van € 4.575,98 openstond. Op de zitting heeft de man erkend dat deze schuld in de gemeenschap valt. Gebleken is dat de lening op naam van beide partijen staat en de vrouw momenteel op de schuld aflost. Gelet hierop en nu partijen bij helfte draagplichtig zijn voor deze schuld, zal de rechtbank bepalen dat de man de helft van het saldo op 31 december 2024, te weten € 2.287,99, aan de vrouw moet voldoen.
Ad i. de Tozo-lening bij de gemeente Den Haag De vrouw heeft gesteld dat de Tozo-lening bij de gemeente Den Haag € 8.000,- bedroeg, waarvan de vrouw op de peildatum € 1.400,- heeft afgelost. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van partijen blijft bestaan, tenzij de schuldeiser één van de partijen daaruit heeft ontslagen en dus indien één van de partijen een bepaalde gemeenschappelijke schuld volledig voor zijn/haar rekening heeft genomen, waarna hij/zij de helft van de schuld van de andere partij kan vorderen of verrekenen.
De man heeft erkend dat de Tozo-schuld in de gemeenschap valt, maar hij heeft de hoogte van de Tozo-schuld op de peildatum betwist. Hiertoe heeft de man aangevoerd dat de schuld op 15 augustus 2024 € 7.144,54 bedroeg en de vrouw vanaf dat moment maandelijks € 349,95 moest aflossen. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de schuld op de peildatum daarom maximaal € 6.096,04 bedroeg. De man heeft verzocht te bepalen dat beide partijen draagplichtig zijn voor de Tozo-schuld, ieder voor de helft van het maximumbedrag van € 6.096,04 dat nog openstond op de peildatum.
De rechtbank overweegt dat uit de door de vrouw overgelegde productie 9 is gebleken dat de Tozo-schuld op 15 augustus 2024 € 7.144,54 bedroeg, waarbij de achterstand in de betaling van de rente € 83,37 bedroeg, en de vrouw vanaf 15 augustus 2024 maandelijks € 349,95 aflost. De Tozo-schuld bedroeg op de peildatum dus € 6.178,06 (€ 7.144,54 + € 83,37 – (3 x € 349,95)). Gelet hierop en nu partijen bij helfte draagplichtig zijn voor deze schuld, zal de rechtbank bepalen dat de man de helft van het saldo op 15 november 2024, te weten € 3.089,03, aan de vrouw moet voldoen.
Vorderingen van de vrouw jegens de man in verband met kinderbijslag, kindgebonden budget, tandartskosten van [de jong-meerderjarige] en zakgeld voor beide kinderen De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man een bedrag van € 13.351,64 aan kinderbijslag, een bedrag van € 12.366,- aan kindgebonden budget, een bedrag van € 750,- voor tandartskosten van [de jong-meerderjarige] en een bedrag van € 3.083,- aan zakgeld voor de kinderen aan de vrouw zonder verrekening dient te vergoeden. Hiertoe heeft de vrouw aangevoerd dat de man de bedragen aan kinderbijslag en kindgebonden budget op zijn bankrekening gestort heeft gekregen en deze bedragen heeft gespaard. Ten aanzien van de tandartskosten van [de jong-meerderjarige] heeft de vrouw gesteld dat zij deze kosten heeft voldaan, maar deze kosten voor de helft voor rekening van de man komen. Verder heeft de vrouw gesteld dat zij van januari 2023 tot en met december 2024 in totaal € 1.956,- aan zakgeld heeft gegeven aan [de minderjarige] en € 4.210,- aan [de jong-meerderjarige] . De man moet de helft van deze bedragen aan de vrouw vergoeden.
De man heeft de vorderingen betwist. Hiertoe heeft de man gesteld dat de kinderbijslag en het kindgebonden budget in de huwelijksgemeenschap vielen en dus deel uitmaakten van het gezamenlijk inkomen. Daarbij zijn deze toeslagen volledig verbruikt tijdens het huwelijk en niet opgespaard. Ten aanzien van het zakgeld voor de kinderen heeft de man aangevoerd dat deze uitgaven zijn betaald vanuit gemeenschapsgeld. Verder heeft de man aangegeven dat er geen grondslag bestaat voor de vordering met betrekking tot de tandartskosten. Als de tandartskosten vóór de peildatum zijn betaald, dan zijn deze kosten voldaan met gemeenschapsgeld. Indien de tandartskosten na de peildatum zijn betaald, komen deze kosten voor rekening van de vrouw, omdat de man sinds 27 november 2024 een bedrag van € 587,- aan kinderalimentatie aan de vrouw voldoet en de vrouw daarom de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen moet voldoen.
De rechtbank zal de verzoeken van de vrouw afwijzen, nu de vrouw haar vorderingen onvoldoende heeft onderbouwd. Daarbij overweegt de rechtbank dat voor zover de door de vrouw gevorderde kosten van de kinderen zien op de periode vóór de peildatum (15 november 2024), deze kosten zijn betaald uit gezamenlijk inkomen van partijen. Voor zover de door de vrouw gevorderde kosten zien op de periode na de peildatum, vallen deze kosten onder de kinderalimentatie die bij voorlopige voorzieningen van 27 november 2024 is vastgesteld.
Beslissing De rechtbank: spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, met elkaar gehuwd op [datum] 2006 te Westland; bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] , van € 246,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand: met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening:
Deze beschikking is gegeven door mr. C. van Hees, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 6 januari 2026.