← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2026:2288

Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-8919 Zaaknummer: C/09/695177 Datum beschikking: 6 januari 2026 Voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv (kinderalimentatie) Beschikking op het op 25 november 2025 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. R.G. Jagesar te ‘s-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. A.J. van Steensel te ’s-Gravenhage. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift. Feiten Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen: - [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] , - [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats] . [de minderjarige 1] is door de man erkend. De minderjarigen verblijven bij de vrouw. De vrouw is met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen belast. Partijen hebben in het kader van de kosten van het levensonderhoud van de minderjarigen onderling afgesproken dat de man vanaf 23 oktober 2023 maandelijks € 270,- aan kinderalimentatie zal voldoen. Verzoek Het verzoek van de vrouw strekt ertoe om bij wijze van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voor de duur van het geding: - te bepalen dat de man met ingang van datum indiening verzoekschrift verplicht is tot het leveren aan de vrouw van een voorlopige bijdrage in de volledige kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 699,- per maand en per kind, althans tot een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige en met ingang van en tot aan een dusdanig tijdstip als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren; voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Beoordeling Op grond van artikel 223, eerste lid, Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Op grond van het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (Hoge Raad 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533). De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de voorwaarde dat de gevraagde voorziening samenhangt met het verzoek dat door de vrouw in de bodemprocedure is ingediend (bij de rechtbank bekend met zaak- en rekestnummer C/09/695154 FA RK 25-8908). In de bodemprocedure wordt immers ook gevraagd om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. De vrouw is daarom ontvankelijk in haar verzoek, zodat de rechtbank zal overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek. Voor wijziging van de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor de duur van de bodemprocedure is in het kader van artikel 223 Rv slechts plaats, indien naar het oordeel van de rechtbank een (spoedeisend) belang bestaat, in die zin dat van de vrouw niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de bodemprocedure afwacht. De vrouw stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van voorlopige voorzieningen. Ter onderbouwing hiervan voert zij aan dat de man, ondanks verzoeken, sinds 29 januari 2024 geen bijdrage meer levert in de kosten van het levensonderhoud van de kinderen. Omdat het gaat om een onderlinge afspraak heeft de vrouw geen executoriale titel. De vrouw betaalt de aflossing van de hoge schulden van partijen en zij draagt de volledige kosten van de kinderen. De vrouw stelt dat zij niet langer in staat is al deze kosten te dragen en verzoekt daarom een voorlopige kinderalimentatie van € 699,- per maand per kind. De rechtbank overweegt dat de vrouw in haar verzoek ex artikel 223 Rv onvoldoende haar spoedeisend belang heeft onderbouwd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de man al langere tijd geen kinderalimentatie betaalt en dat de vrouw eigen inkomen heeft. Er is geen acute financiële noodsituatie. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een situatie dat van de vrouw niet gevergd kan worden dat zij de eindbeslissing in de hoofdzaak afwacht. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om voorlopige voorzieningen te treffen dan ook afwijzen. Beslissing De rechtbank: wijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 6 januari 2026.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.