RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.4309 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Juriaans). Procesverloop
- Bij besluit van 25 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. 1.
- Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. 1.
- Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 29 januari 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 4 februari 2026 op gereageerd. Op 6 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen
- In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
- Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Eiser is overgenomen en opgehouden, aansluitend op strafrechtelijke heenzending. De stukken betreffende de strafrechtelijke aanhouding bevinden zich niet in het dossier, waardoor niet valt te controleren of er sprake was van verkapt vreemdelingrechtelijk toezicht. In dat geval moet er namelijk sprake zijn van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Verder voert eiser aan dat zware grond 3f ten onrechte is tegengeworpen. Eiser is namelijk tijdens zijn vlucht vanuit Irak naar Europa zijn identiteitsdocument is verloren en dat is niet ongebruikelijk.
- De rechtbank overweegt als volgt.
- Na indiening van de gronden heeft verweerder een proces-verbaal van aanhouding en een proces-verbaal van bevindingen aan het dossier toegevoegd. Eiser heeft geen nadere reactie ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij hiermee voldoende informatie om te bepalen of er sprake is van een vreemdelingrechtelijk toezicht. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat dit niet het geval is.
- Verder heeft verweerder in zijn reactie van 4 februari 2026 aangegeven zware grond 3f te laten vallen. De rechtbank stelt vast dat de overgebleven gronden niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware en lichte gronden en de daarbij gegeven motivering in onderlinge samenhang bezien reeds voldoende om ten aanzien van eiser een significant risico op onderduiken aan te nemen.
- Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb. Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.