Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2026:2509
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/4159 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. J. Eliya), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J. Laros).
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om naturalisatie.
1.1.
Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 10 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 mei 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder voorafgaand bericht niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
Wat vindt eiser in beroep?
De afwijzing van eisers verzoek is gebaseerd op een lichte strafrechtelijke veroordeling waarvoor eiser is veroordeeld tot een milde straf. Eiser heeft slechts vier dagen onvoorwaardelijk uitgezeten in voorarrest. Verweerder stelt ten onrechte dat de sanctie voldoende zwaar is.
Verweerder heeft geen individuele beoordeling gemaakt van de ernst van het delict noch van het actuele gevaar. De opgelegde proeftijd was ten tijde van het verzoek al verstreken, eiser heeft zich correct gedragen, zijn reclasseringsverplichtingen afgerond en eiser woont weer bij zijn gezin. Er is geen recidiverisico maar verweerder negeert dit en houdt star vast aan de rehabilitatietermijn van vijf jaar.
Het besluit is disproportioneel. Eiser is alleen deze ene maal veroordeeld, komt uit Syrië, is goed geïntegreerd en heeft minderjarige kinderen die niet de Nederlandse nationaliteit kunnen krijgen zolang eisers verzoek wordt geweigerd.
Verder gaat verweerder ten onrechte voorbij aan de gevolgen voor het familie- en privéleven van eiser en zijn kinderen. Dat is in strijd met artikel 8 van het EVRM.
Ook heeft verweerder ten onrechte niet inhoudelijk aan de hardheidsclausule getoetst.
Wat zijn de regels?
4.1.
Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN wordt het verzoek om naturalisatie van een vreemdeling die voldoet aan de artikel 7 en 8 van de RWN niettemin afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.
4.2.
In de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de Handleiding) is het beleid van de staatssecretaris beschreven, waarin staat wanneer er dergelijke ernstige vermoedens zijn. In de Handleiding staat dat een naturalisatieverzoek wordt geweigerd, indien in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop, een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd. De periode van vijf jaar wordt de rehabilitatietermijn genoemd. Deze termijn vangt aan op het moment dat de sanctionering onherroepelijk is geworden, of op het moment dat de opgelegde sanctie is uitgevoerd.
4.3.
Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, dient het beleid neergelegd in de Handleiding als uitgangspunt bij de beoordeling of sprake is van ernstige vermoedens dat eiser gevaar oplevert voor de openbare orde.
4.4.
Uit paragraaf 6 van de toelichting op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN in de Handleiding volgt dat zich in een concreet individueel geval zeer bijzondere feiten en omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen door van de regels in de Handleiding af te wijken.
4.5.
De overige relevante regels staan in de bijlage. De bijlage hoort bij de uitspraak.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het naturalisatieverzoek terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage Rijkswet op het Nederlanderschap Artikel 9 1. Het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de artikelen 7 en 8 wordt niettemin afgewezen, indien a. op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk; […].
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 Paragraaf 1 Hieronder wordt uiteengezet wanneer ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde of de veiligheid van het Koninkrijk. Daarbij staan centraal de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de vreemdeling. Die verwachtingen worden gebaseerd op zijn gedrag in het heden en het recente verleden. Samengevat komt het beleid erop neer dat de naturalisatie of optie wordt geweigerd, als: (…) 3. er op het moment van indiening van het verzoek/afleggen van de optieverklaring of de beslissing daarop, serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen (zie onder 4). Met sanctie wordt niet alleen bedoeld iedere straf als bedoeld in artikel 9 van het Wetboek van Strafrecht (bijvoorbeeld een geldboete, taak-, bijkomende of gevangenisstraf) die door de strafrechter is opgelegd, maar ook bijvoorbeeld strafbeschikkingen of transacties (door politie of Openbaar Ministerie (OM) opgelegde boetes). Daarbij is niet relevant of de sanctie voorwaardelijk is opgelegd, en evenmin of de tenuitvoerlegging geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden is afwijking van het onderstaande mogelijk. Van een serieuze verdenking is onder meer sprake, als: a. tegen de vreemdeling proces-verbaal wegens misdrijf is opgemaakt, en de strafzaak niet is beëindigd of de strafbeschikking niet is uitgevaardigd; tegen de vreemdeling een strafzaak wegens misdrijf openstaat; de vreemdeling zich nog in de proeftijd bevindt. Een proeftijd kan worden verbonden aan een voorwaardelijk sepot, een voorwaardelijke veroordeling of voorwaardelijke gratie; of er sprake is van een nog niet onherroepelijk geworden strafvonnis; (…) Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd De vreemdeling mag in de periode van vijf jaren (de zogenaamde rehabilitatietermijn van vijf jaar) direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring of de beslissing daarop niet onderworpen zijn geweest aan sanctionering van een misdrijf of aan de gevolgen daarvan. Daarbij geldt dat de volgende sancties leiden tot weigering van naturalisatie of optie: a. iedere vrijheidsbenemende straf of maatregel (onder meer gevangenisstraf en TBS), ongeacht de duur daarvan;
(…) Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden Bovenstaande regels geven een nadere invulling van het criterium ‘ernstig gevaar voor de openbare orde’ (in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN en artikel 6, vierde lid, RWN). Zij moeten door iedereen op dezelfde wijze worden uitgevoerd. Deze regels vervangen de genoemde artikelen niet. Zij sluiten dus ook niet uit dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen door van deze regels af te wijken. Bij de toepassing van deze regels moet men er dus altijd op bedacht zijn dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die afwijking noodzakelijk kunnen maken.
Het is in zeer bijzondere gevallen dus mogelijk dat een naturalisatie of optie dat op grond van bovenstaande regels zou moeten worden geweigerd, toch moet worden ingewilligd of worden bevestigd. Anderzijds is het in zeer bijzondere gevallen dus ook mogelijk dat een bepaald verzoek of optie dat niet onder een van bovenstaande regels kan worden gebracht, toch moet worden afgewezen of geweigerd, omdat er ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt. Het is immers niet mogelijk om ieder individueel geval dat zich ooit zal kunnen voordoen, van te voren te voorzien en daarvoor een regel op te stellen. Een dergelijk verzoek of optie moet dan apart worden onderzocht en beoordeeld. Voor een dergelijk verzoek of optie zal dan een oplossing moeten worden gevonden die aansluit bij de algemene uitgangspunten van het beleid en bij de wél in dit hoofdstuk van de Handleiding RWN 2003 geregelde situaties. Een en ander neemt niet weg dat het voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van het grootste belang is dat niet snel van bovenstaande regels wordt afgeweken. Er moet zeer grote terughoudendheid worden betracht.
Een bijzondere omstandigheid kan in het algemeen worden omschreven als een omstandigheid die wel belangrijk is, maar waaraan bij het opstellen van de regels niet of onvoldoende kon worden gedacht. Juist omdat het bijzondere omstandigheden zijn, kan niet van tevoren worden aangegeven welke omstandigheden zo bijzonder zijn dat zij tot afwijking van de regels in dit hoofdstuk moeten leiden.
Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), kan echter wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt. Niet bijzonder is bijvoorbeeld dat de vreemdeling:
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3230 (r.o. 2) en van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:703 (r.o. 3).
Uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:478 (r.o. 5.3) en 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4887 (r.o. 6.1).
Uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1870, r.o. 5.1).
Uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3117).