RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/7127 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres] N.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: L. Blahowetz), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: mr. R.M.H. Rokebrand). Inleiding
- In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het Uwv op het verzoek van eiseres van 13 mei 2022 om de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) van (ex-)werkneemster, S. Aaouad-Afkir van Oxxio Nederland B.V. (overgenomen door Eneco), te herbeoordelen. 1.
- Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk-niet ontvankelijk is, omdat eiseres het beroepschrift onredelijk laat heeft ingediend. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
- Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zoals in deze zaak, is het niet aan een termijn gebonden. Het beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. Als uitgangspunt kan worden aangenomen dat het beroepschrift onredelijk laat is ingesteld als het is ingediend meer dan een jaar na het moment waarop het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. 4.1 Op 30 augustus 2019 heeft eiseres een eerste herbeoordelingsverzoek gedaan. Op 21 oktober 2019 reageerde het Uwv hierop met de mededeling dat er op dat moment geen medisch onderzoek kon plaatsvinden vanwege de zwangerschap van (ex-)werkneemster. Het Uwv stelde dat het onderzoek een half jaar later diende plaats te vinden. 4.2 Op 13 mei 2022 heeft eiseres het Uwv hieraan herinnerd en opnieuw een herbeoordelingsverzoek ingediend. Het Uwv heeft dit verzoek uiterlijk op 17 mei 2022 ontvangen. Het Uwv moet binnen acht weken beslissen op het verzoek. Het Uwv had dus uiterlijk op 12 juli 2022 moeten beslissen. Omdat er binnen de wettelijke termijn geen beslissing op het verzoek werd genomen, heeft eiseres op 18 september 2025 een ingebrekestelling verstuurd naar het Uwv. Het Uwv heeft de ingebrekestelling op 22 september 2025 ontvangen. Op 26 november 2025 heeft het Uwv een dwangsombeschikking afgegeven.
- Eiseres heeft op 9 oktober 2025 beroep tegen het niet tijdig beslissen ingesteld. Dat is meer dan drie jaar en twee maanden na het aflopen van de wettelijke beslistermijn. Dat betekent dat het beroep in beginsel als onredelijk laat moet worden aangemerkt. Bijzondere omstandigheden kunnen hier verandering in brengen. Hoewel het Uwv bij de ontvangst van de ingebrekestelling heeft bevestigd de herbeoordeling verder in behandeling te nemen, en een dwangsom heeft betaald, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om het beroep als tijdig aan te merken. De rechtbank hecht belang aan het feit dat eiseres ruim drie jaar en twee maanden heeft gewacht met het indienen van een ingebrekestelling nadat de beslistermijn op het (tweede) herbeoordelingsverzoek was verstreken en dat zij in die periode geen contact met het Uwv heeft gehad. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eiseres er al sinds 21 oktober 2019 van op de hoogte was dat het niet herbeoordelen van de (ex-)werkneemster samenhing met de zwangerschap van laatstgenoemde en dat een medisch heronderzoek ongeveer een half jaar na oktober 2019 zou moeten plaatsvinden. Eiseres heeft evenwel niet eerder dan op 13 mei 2022, onder verwijzing naar de eerdere correspondentie, opnieuw een herbeoordelingsverzoek ingediend en daarna (wederom) drie jaar en vier maanden gewacht met het indienen van een ingebrekestelling.
- Het beroep is gezien het voorgaande kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 februari
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. De rechtbank verwijst naar artikel 6:12, eerste lid, van de Awb, in samenhang met het vierde lid van dat artikel. Hoge Raad 2 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:711, r.o. 3.3.
- Dit staat in artikel 102, derde lid van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wia).