Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 25-1223 (ontbinding geregistreerd partnerschap) FA RK 25-5286 (verdeling) Zaaknummer: C/09/680459 (ontbinding geregistreerd partnerschap) C/09/688394 (verdeling) Datum beschikking: 12 januari 2026 Ontbinding geregistreerd partnerschap Beschikking op het op 17 februari 2025 ingekomen verzoek van: [de vrouw], de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. S. Vermeule te ’Den Haag. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man], de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. P. van de Kolk te ’Den Haag. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift en betekeningsexploot; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van 9 mei 2025; - het verweer tegen het zelfstandig verzoek; - een F9-formulier van 8 juli 2025, met bijlagen, van de man; - een F9-formulier van 11 november 2025, met bijlagen, van de vrouw; - een F9-formulier van 12 november 2025, met bijlagen, van de vrouw; - een F9-formulier van 13 november 2025, met bijlagen, van de man; - een F9-formulier van 20 november 2025, met bijlagen, van de man; - een F9-formulier van 21 november 2025, met bijlagen, van de vrouw. Op 24 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaat. Feiten - Partijen zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan op [datum] 2020 te ’Den Haag, zonder het opstellen van partnerschapsvoorwaarden. - Tussen partijen geldt een beperkte gemeenschap van goederen. Verzoek en verweer Het verzoek strekt – na wijziging – ertoe: het geregistreerd partnerschap dat partijen op [datum] 2020 te Den Haag zijn aangegaan te ontbinden; het huurrecht van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] aan de man toe te delen; vast te stellen, althans voor recht te verklaren, dat het saldo op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] per de dag van het geregistreerd partnerschap, ad € 145,-- en het saldo op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] per de dag van het geregistreerd partnerschap, ad € 53,07 privé eigendom is van de vrouw; vast te stellen, althans voor recht te verklaren, dat de 11.108 certificaten (aangekocht in 2017, 2018 en 2020) privé eigendom zijn van de vrouw; de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen als volgt vast te stellen: o vast te stellen, althans voor recht te verklaren, dat het saldo op de gezamenlijke bank- en spaarrekening met nummers [rekeningnummer 3] en [rekeningnummer 4] in oktober 2024 in onderling overleg tussen partijen is verdeeld; o de bankrekeningen op naam van de vrouw met de daarbij behorende saldi aan haar toe te delen, waarbij zij gehouden is de helft van het bedrag dat behoort tot de beperkte gemeenschap van goederen, zijnde € 255,59 (de helft van € 511,18), aan de man te voldoen; o te bepalen dat de man opgave doet van de bank- en spaarrekeningen op zijn naam, onder opgave van de saldi op [datum] 2020 en op de peildatum; o te bepalen dat de man de helft van het bedrag behorend tot de beperkte gemeenschap van goederen op zijn bank- en spaarrekeningen aan de vrouw dient te vergoeden; o te bepalen dat ieder van partijen gerechtigd is tot de helft van de verkoopopbrengst van de 1200 certificaten (aangekocht op 1 januari 2023 met [transactienummer]) bij Stichting [stichting]) ad € 2.922,-- per persoon; o te bepalen dat partijen de inboedel bij helfte verdelen in onderling overleg; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man voert verweer tegen een aantal verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht: het geregistreerd partnerschap van partijen te ontbinden; het huurrecht van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] aan de man toe te bedelen; te bepalen dat de man een vergoedingsvordering op de vrouw heeft voor de helft van de totale waarde van de 1200 certificaten die tijdens het geregistreerd partnerschap zijn aangeschaft, welke totale waarde door de man thans wordt begroot op € 27.984,00, zodat de man een vergoedingsrecht heeft van € 13.992,00 op de vrouw, althans een andere nader te bepalen waarde; te bepalen dat de man een vergoedingsvordering op de vrouw heeft voor de helft van de waarde van de certificaten die voor een bedrag van € 17.522,80 zijn aangeschaft nu de lening voor deze certificaten tijdens het geregistreerd partnerschap van partijen is afgelost, zodat de man primair een vergoedingsrecht heeft van € 35.045,60 en subsidiair op basis van een waarde-toename die thans door de man wordt begroot op € 52.568,40, zodat de man subsidiair een vergoedingsrecht heeft op de vrouw van € 26.284,20 , althans een andere nader te bepalen waarde; te bepalen dat de man een recht op vergoeding heeft voor de helft van de aanschafwaarde van de certificaten die tijdens de samenwoning van partijen zijn aangeschaft, welke aanschafwaarde volgens de man € 5.148,18 zou zijn, zodat de man een recht op vergoeding van € 2.574,09 zou hebben, althans een ander nader te bepalen vergoeding; te bepalen dat de man recht heeft op de helft van door de vrouw op de certificaten ontvangen dividend na oktober 2024 en voor de peildatum, welke de man begroot op € 6.000,00, zodat de man recht zou hebben op de helft daarvan ofwel € 3.000,00, dan wel een andere nader te bepalen bedrag zijnde de helft van het door de vrouw ontvangen dividend zoals hiervoor omschreven; te bepalen dat de man recht heeft op schadevergoeding van de vrouw voor de aflossingen van de gezamenlijke bankrekening op de schuld bij Rabobank van de vrouw tijdens de samenwoning van partijen, ter hoogte van de helft van deze uitgaven, ofwel op € 1.237,--; te bepalen dat de man een vergoedingsrecht heeft op de vrouw voor de helft van de aflossingen van de schuld bij de Rabobank tijdens het geregistreerd partnerschap, ter hoogte van de helft van de uitgaven hiervoor, welke helft € 1.807,-- bedraagt; te bepalen dat de man recht heeft op schadevergoeding van de vrouw voor het verschil in uitgaven van de gezamenlijke bankrekening, tijdens de samenwoning, voor de aflossing van de studieschuld van ieder, welk verschil € 1.390,95 bedraagt zodat de man recht heeft op schadevergoeding voor de helft ad € 695,47; te bepalen dat de man een vergoedingsrecht heeft op de vrouw voor de helft van het verschil in uitgaven van de gezamenlijke bankrekening, tijdens het geregistreerd partnerschap, voor de aflossing van de studieschuld van ieder, welk verschil € 2.818,33 bedraagt zodat de man een vergoedingsrecht heeft van de helft hiervan ad € 1.409,16, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens. De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan. Ontbinding geregistreerd partnerschap De vrouw heeft gesteld dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap als op de wet gegrond kan worden toegewezen. Huurrecht Partijen zijn het erover eens dat het huurrecht van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] aan de man toegedeeld kan worden. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. De afwikkeling van de beperkte gemeenschap van goederen Niet gesteld of gebleken is dat partijen partnerschapsvoorwaarden hebben gemaakt. Zij hebben het geregistreerd partnerschap op of na 1 januari 2018 met elkaar gesloten, zodat (gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW in samenhang met artikel 1:80b BW) moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestond. De rechtbank overweegt dat nu er sprake is van een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap) ontbonden partnerschapsgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die vóór het geregistreerd partnerschap reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het geregistreerd partnerschap (en voorafgaand aan het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het geregistreerd partnerschap (en voorafgaand aan het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen. Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de geregistreerd partners in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen. Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 17 februari 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht: inboedel; saldi van de bankrekeningen van partijen voor zover die sinds de aanvang van het geregistreerd partnerschap zijn toegenomen; 1200 certificaten op naam van de vrouw. De inboedel Partijen zijn het erover eens dat zij de inboedel bij helfte verdelen in onderling overleg. De rechtbank zal dit vaststellen. 1200 certificaten aangeschaft tijdens het geregistreerd partnerschap De vrouw verzoekt te bepalen dat ieder van partijen gerechtigd is tot de helft van de verkoopopbrengst van de 1200 certificaten (aangekocht op 1 januari 2023 met [transactienummer]) bij Stichting [stichting]). De rechtbank verwijst naar hetgeen hierna onder het kopje “certificaten” wordt overwogen, waarin de rechtbank tot de conclusie komt dat zij zal vaststellen dat aan ieder van partijen de helft van de waarde van deze certificaten van € 5.884,-- toekomt, vermeerderd met de helft van het over deze certificaten na oktober 2024 ontvangen dividend, voor zover dit niet al in de verdeling van de saldi van de bankrekeningen van partijen is betrokken. Bankrekeningen De vrouw verzoekt vast te stellen, althans voor recht te verklaren, dat het saldo op de gezamenlijke bank- en spaarrekening met nummers [rekeningnummer 3] en [rekeningnummer 4] in oktober 2024 in onderling overleg tussen partijen is verdeeld. De vrouw verzoekt verder de bankrekeningen op naam van de vrouw met de daarbij behorende saldi aan haar toe te delen, waarbij zij gehouden is de helft van het bedrag dat behoort tot de beperkte gemeenschap van goederen, aan de man te voldoen. Ook verzoekt de vrouw te bepalen dat de man opgave doet van de bank- en spaarrekeningen op zijn naam, onder opgave van de saldi op [datum] 2020 en op de peildatum en te bepalen dat de man de helft van het bedrag behorend tot de beperkte gemeenschap van goederen op zijn bank- en spaarrekeningen aan de vrouw dient te vergoeden. De man is primair van mening dat de saldi al in oktober 2024 zijn verdeeld. Indien de rechtbank de vrouw volgt in haar verzoek tot verdeling van de saldi, dan dient daarbij rekening te worden gehouden met de in oktober 2024 verdeelde saldi. De rechtbank overweegt dat partijen het erover eens zijn dat het saldo van de op hun beider naam staande bankrekening feitelijk reeds is gedeeld, maar dat uit de stukken niet af te leiden is dat de saldi van de rekeningen op naam van één van partijen ook al zijn gedeeld. Op grond van de wet behoren ook de saldi van die bankrekeningen tot het gemeenschappelijk vermogen en dus dienen deze saldi nog gedeeld te worden. De rechtbank zal daarom de verdeling van de banksaldi vaststellen, in die zin dat partijen de saldi van de op bankrekeningen die op naam van één van hen staan, na aftrek van het bij aanvang van het geregistreerd partnerschap aanwezige vermogen, en bij de man onder aftrek van een bedrag van € 7.941,81, dienen te delen. De man heeft er terecht op gewezen dat dit laatste bedrag bij het delen van het saldo van de op hun beider naam staande bankrekening op zijn bankrekening is gestort en daarom niet opnieuw gedeeld dient te worden. Met het afschrift van het saldo van de bankrekening op naam van de man heeft de man voldoende aangetoond dat dit bedrag nog op de bankrekening op naam van de man stond op de peildatum. De man heeft opgave gedaan van de bank- en spaarrekeningen op zijn naam, onder opgave van de saldi op [datum] 2020 en op de peildatum. Het verzoek van de vrouw om die gegevens te verstrekken wordt daarom afgewezen. De overige verzoeken Privébankrekeningen vrouw per datum geregistreerd partnerschap De vrouw verzoekt vast te stellen, althans voor recht te verklaren, dat het saldo op de bankrekeningen met nummer [rekeningnummer 1] per de dag van het geregistreerd partnerschap, ad € 145,-- en het saldo op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] per de dag van het geregistreerd partnerschap, ad € 53,07 privé eigendom is van de vrouw. De man stemt in met toewijzing van dit verzoek. De rechtbank zal dit verzoek als onweersproken toewijzen. Certificaten De vrouw verzoekt vast te stellen, althans voor recht te verklaren, dat de 11.108 certificaten (aangekocht in 2017, 2018 en 2020) privé eigendom zijn van de vrouw. De man heeft verweer gevoerd. Hij stelt dat deze certificaten in delen zijn aangeschaft voorafgaand aan het geregistreerd partnerschap. De certificaten zijn volgens de man betaald met geld dat op de gemeenschappelijke bankrekening van partijen stond, althans de lening die voor de aanschaf is aangegaan is afgelost van de gemeenschappelijke rekening. Partijen hebben indertijd gezamenlijk tot de aanschaf van de certificaten besloten. De man stelt ter zake een recht op vergoeding jegens de vrouw te hebben. De vrouw stelt dat het juist is dat voor de aankoop van de certificaten een lening bij haar werkgever is aangegaan maar betwist dat zij deze lening heeft afgelost met gemeenschapsmiddelen, dan wel privémiddelen van de man. De vrouw stelt zich op het standpunt dat een feitelijke en juridische grondslag voor de vordering van de man ontbreekt. Het enkele feit dat gelden (in dit geval, aflossingen op een lening) van de gezamenlijke bankrekening zouden zijn betaald, heeft niet tot gevolg dat van rechtswege vaststaat dat gemeenschapsmiddelen zijn aangewend om de aflossingen te voldoen. De man heeft zijn standpunt niet dan wel onvoldoende onderbouwd. Verder betwist de vrouw de door de man aan de certificaten toegekende waarde. De rechtbank overweegt als volgt. De certificaten zijn onder te verdelen in drie groepen certificaten aangeschaft en betaald tijdens de samenleving en vóór het aangaan van het geregistreerd partnerschap; certificaten aangeschaft tijdens de samenleving, betaald door het aangaan van een lening, welke lening is afgelost tijdens het geregistreerd partnerschap; certificaten aangeschaft en betaald tijdens het geregistreerd partnerschap in
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.