← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2026:2529

Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 25-8580 Zaaknummer: C/09/694549 Datum beschikking: 12 januari 2026 Alimentatie Beschikking op het op 14 november 2025 ingekomen verzoek van: [jongmeerderjarige], de jong-meerderjarige, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. N. Schreurs te Alphen aan den Rijn. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man], de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: voorheen mr. A. Schellekens, nu mr. H. van Pelt-de Jong te Bodegraven. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; een F9-formulier van 10 maart 2025, houdende een machtiging van de moeder ([de moeder]) van de jong-meerderjarige om voor en namens de jong-meerderjarige op te treden in deze procedure; een akte houdende een wijziging van het verzoek van 13 november 2025; een F9-formulier van 17 november 2025, met bijlagen, van verzoekster. Op 24 november 2025 is op de zitting van deze rechtbank zowel het onderhavige verzoek als het verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen (C/09/673599, C/09/678873) gecombineerd behandeld. Op laatstgenoemde verzoeken wordt bij afzonderlijke beschikking beslist. Op de zitting zijn verschenen: de man met zijn advocaat en [de moeder], de moeder van de jong-meerderjarige (hierna: de vrouw) met mr. N. Schreurs. De jong-meerderjarige is niet op de zitting verschenen. Zij heeft de vrouw gemachtigd namens haar op te treden. Verzoek en verweer Het verzoek van de jong-meerderjarige luidt, na wijziging, de alimentatie voor de jong-meerderjarige op € 550,-- netto per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Feiten - De man en de vrouw zijn de ouders van de jong-meerderjarige en van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats]. - De jong-meerderjarige verblijft bij de moeder. - De jong-meerderjarige volgt een MBO-opleiding. Beoordeling Behoefte De jong-meerderjarige stelt dat voor de behoefte aansluiting dient te worden gezocht bij de WSF-normen. Uit deze normen volgt dat het normbedrag voor een jongmeerderjarige die thuiswonend is en een MBO-opleiding volgt € 757,68 netto per maand bedraagt. De jong-meerderjarige volgt een fulltime opleiding waardoor zij het grootste deel van de opleiding op school doorbrengt. De jong-meerderjarige moet in het kader van haar opleiding twee dagen per week stage lopen. De stage duurt een half jaar. De jong-meerderjarige ontvangt een stagevergoeding van € 175,-- per maand. Daarmee komt de behoefte van de jong-meerderjarige op een bedrag van afgerond € 583,-- per maand. De man is het ermee eens de behoefte op grond van het vorenstaande vast te stellen op een bedrag van € 583,-- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte afgerond € 610,-- per maand. Draagkracht man Vast staat dat er sprake is van een inkomensdaling bij de man. De man ontvangt sinds 1 augustus 2025 een WW-uitkering, waardoor zijn inkomen met 30% is gedaald. De man heeft wel een ontslagvergoeding ontvangen, die dient te worden aangewend om de inkomstenderving te compenseren voor de duur van een jaar. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man verwijtbaar werkloos is geworden door gebruik te maken van de ‘plaatsmakersregeling’ van zijn werkgever. De rechtbank is van oordeel dat de man voldoende heeft toegelicht dat voortzetting van het dienstverband niet meer volledig ter vrije bepaling stond en dat hem niet te verwijten is dat hij onder de gestelde omstandigheden gebruik heeft gemaakt van de aangeboden vertrekregeling. De man heeft ontslagvergoedingen ontvangen van € 26.362,38 bruto en bijna 8.499,63 bruto. Zoals gezegd dienen die vergoedingen onder meer ter aanvulling van de (tijdelijke) inkomensachteruitgang. De man kan daarom geacht worden gedurende een jaar zijn inkomensachteruitgang te compenseren met de ontslagvergoedingen. De rechtbank gaat daarom bij de berekening van de draagkracht van de man uit van het inkomen van de man over het jaar

  1. De man dient zich in te spannen om zijn verdiencapaciteit (ter hoogte van zijn voormalige loon) te verzilveren. Als inderdaad blijkt, zoals de man stelt, dat hij blijvend in inkomen achteruit is gegaan, kan dat, op het moment dat de ontslagvergoedingen zijn opgesoupeerd, aanleiding zijn een nieuwe alimentatieberekening te (laten) maken. Het voorgaande betekent dat de rechtbank voor de bepaling van de draagkracht van de man uitgaat van een inkomen van € 71.678 bruto per jaar dat volgt uit de aangifte inkomstenbelasting
  2. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskorting, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 3.810,-- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. De man betaalt op dit moment in het kader van woonlasten een vergoeding van rond de € 400,-- aan zijn ouders en de helft van de eigenaarslasten van de echtelijke woning. De vrouw betaalt de andere helft van de eigenaarslasten. Dat betekent dat beide partijen op dit moment beperkte woonlasten hebben. De echtelijke woning zal worden verkocht. Daarom is redelijkerwijs te verwachten dat beide partijen in de nabije toekomst kosten moeten maken voor een andere woning. Het is niet te voorspellen of partijen een andere woning zullen kopen (of het vrij te komen vermogen daartoe toereikend is) of huren. Beide partijen moeten in staat zijn hierin op termijn keuzes te kunnen maken. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om bij de berekening van de draagkracht van de man uit te gaan van het forfaitaire woonbudget. Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,--, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,--)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [3.810 – (1.143 + 1.310)] = € 950,-- per maand. De draagkracht van de man bedraagt volgens deze formule € 950,-- per maand. In de beschikking ter zake van de echtscheiding is vastgesteld dat de vrouw een minimale draagkracht heeft van € 25,-- per maand per kind en is ten behoeve van de minderjarige [minderjarige] een door de man te betalen kinderalimentatie vastgesteld van € 475,-- per maand. De draagkracht van de man moet over de jong-meerderjarige en haar minderjarige zus worden verdeeld. Dit betekent dat de rechtbank een door de man te betalen alimentatie ten behoeve voor de jong-meerderjarige zal vaststellen van € 475,-- per maand. De rechtbank zal de alimentatie vaststellen met ingang van de datum van de beschikking. Beslissing De rechtbank: bepaalt de door de man met ingang van 12 januari 2026 te betalen alimentatie voor de jong meerderjarige [jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2006 te [geboorteplaats], op € 475,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de jong-meerderjarige te voldoen; * verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; * wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 12 januari 2026.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.