Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummers: 09/150437-23 en 09/236077-21 (tul) Datum uitspraak: 12 februari 2026 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de meervoudige kamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [de verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2001 te [geboorteplaats 1] , BRP-adres: [adres] 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 26 augustus 2024, 18 november 2024, 5 februari 2025, 1 mei 2025, 19 september 2025 (alle pro forma) en 28 januari 2026 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Polderman en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.B. van Faassen naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging - ten laste gelegd dat: 1. hij op één of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 10 januari 2023 tot en met 14 mei 2024 te Leiden en/of Katwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een of meerdere hoeveelhe(i)d(
(2)een ‘kwetsbare positie’ geeft artikel 273f, zesde lid, Sr een minimumdefinitie van dit begrip: hieronder wordt mede begrepen een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan. Oogmerk van uitbuiting Het (oogmerk van) uitbuiting is in de wet niet gedefinieerd, anders dan in het tweede lid van artikel 273f Sr door de opsomming van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder uitbuiting van een ander in de prostitutie en gedwongen of verplichte arbeid of diensten. De vraag of sprake is van uitbuiting laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij deze weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. Uitbuiting veronderstelt altijd een zekere mate van onvrijwilligheid of onderwerping van degene die wordt uitgebuit. Het enkele aanwenden van dwangmiddelen levert niet reeds uitbuiting op, maar het oogmerk van uitbuiting brengt met zich dat sprake moet zijn van een (voorgenomen) ernstige inbreuk op de lichamelijke en/of geestelijke integriteit en/of de persoonlijke vrijheid. Wanneer gebruik is gemaakt van een dwangmiddel is instemming van het slachtoffer met de beoogde of bestaande uitbuiting niet relevant. De verklaring van [benadeelde 3] De rechtbank heeft voor het bewijs gebezigd de verklaringen die [benadeelde 3] bij de politie heeft afgelegd. Hoewel enkele inconsistenties bestaan tussen de verklaringen afgelegd bij de politie en bij de rechter-commissaris, heeft [benadeelde 3] bij de rechter-commissaris verklaard dat hij geen valse verklaring heeft afgelegd bij de politie. Met inachtneming daarvan neemt de rechtbank het volgende in overweging. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat [benadeelde 3] bang was voor de verdachte. Hij benoemde expliciet dat hij bang was voor wat er ging komen en wilde geen aangifte doen. Ook tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft [benadeelde 3] benoemd dat hij zich op onderdelen beriep op zijn zwijgrecht omdat hij bang was om verkeerde dingen te zeggen. De politieverklaringen van [benadeelde 3] worden op essentiële onderdelen – zoals de periode, het dealen, de schuld bij de verdachte, het gebruik van geweld en intimidatie en de bevoordeling – ondersteund door ander bewijs. Verder zijn de politieverklaringen gedurende en kort na het eindigen van de uitbuitingssituatie afgelegd. Het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris heeft pas geruime tijd later plaatsgevonden. Bij de politie kon [benadeelde 3] uitgebreid en gedetailleerd verklaren, terwijl [benadeelde 3] bij de rechter-commissaris meerdere malen heeft aangegeven dat hij ‘het zich niet meer kon herinneren’. Tot slot heeft [benadeelde 3] , zichzelf belastend, in de verhoren ook over zijn eigen aandeel in de drugshandel verklaard, hetgeen meeweegt in betrouwbaarheid van zijn verklaring. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank bij de beoordeling van de bewijsvraag dan ook uit van de verklaringen die [benadeelde 3] bij de politie heeft afgelegd, die zij betrouwbaar acht. Sub 1: werven, overbrengen/vervoeren of huisvesten/opnemen Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben vrijspraak bepleit van hetgeen is ten laste gelegd onder sub 1. De rechtbank volgt de officier van justitie en de verdediging hierin en zij zal de verdachte daarom van dit onderdeel vrijspreken. Sub 4: verrichten van arbeid of diensten Dwangmiddelen Geweld, bedreiging en andere feitelijkheden Op 12 november 2023 vertelde [benadeelde 3] aan de politie dat hij werd bedreigd en geslagen door drugsdealers en wilde hij bewijs van de politie dat er onder hem verdovende middelen in beslag waren genomen. [benadeelde 3] heeft in 2024 verklaard dat hij onder dwang zijn telefoon moest aanzetten. Hij werd geslagen en in elkaar geschopt als hij de telefoon niet wilde aanzetten. Dat gebeurde volgens hem in het jaar voorafgaand aan zijn verklaring drie of vier keer. Dat er geweld tegen [benadeelde 3] werd gebruikt wordt ondersteund door de verklaringen van [naam 6] en [naam 9] , de vriendin en de moeder van [benadeelde 3] . [naam 6] heeft verklaard dat ze heeft gezien dat er geweld werd gebruikt tegen [benadeelde 3] en heeft ook verschillende soorten letsel gezien bij [benadeelde 3] . Daarnaast zouden zij en de dochter van [benadeelde 3] ook zijn bedreigd door [bende] . De moeder van [benadeelde 3] heeft gehoord dat [benadeelde 3] € 650 moest betalen; anders zou zijn vinger worden afgeknipt. Verder volgt uit een chat dat [benadeelde 3] de volgende dag de schulden moest afbetalen, omdat hij anders naar Zuid-Amerika en terug moest vliegen met zijn lichaam ‘vol’. Daarnaast leidt de rechtbank uit de verklaring van [benadeelde 3] , de verklaring van [naam 5] en de bevindingen van de verbalisanten af dat [benadeelde 3] door de verdachte en anderen is ontvoerd en mishandeld. De verbalisanten zagen dat [benadeelde 3] het politiebureau binnen kwam lopen met een bebloede duim, zagen dat zijn hoektand los zat en dat hij opgezwollen, dik en blauw letsel in zijn gezicht had. Misbruik van een kwetsbare positie en voortvloeiend overwicht [benadeelde 3] heeft verklaard verslaafd te zijn aan heroïne en cocaïne. Samen met [naam 6] gaf hij ongeveer € 250 per dag uit aan drugs. Hij was daarbij afhankelijk van weekgeld, gokken en het doen van klusjes om inkomsten te genereren om onder andere die verslaving te bekostigen. [benadeelde 3] bevond zich door die verslaving in een kwetsbare positie en de verdachte had wetenschap van de kwetsbare positie. Door [benadeelde 3] ondanks deze wetenschap te laten dealen, zodat hij met de opbrengst zijn schuld af kon betalen en extra drugs kon verdienen, heeft de verdachte misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van [benadeelde 3] . Tegelijkertijd bouwde [benadeelde 3] een schuld op door het dealen en zijn gebruik. [benadeelde 3] is immers vaker gepakt waarbij de verdovende middelen door de politie in beslag zijn genomen. Daarnaast liet de verdachte [benadeelde 3] werken met middelen waaraan hij ( [benadeelde 3] ) zelf verslaafd was. Zo kwam het voor dat [benadeelde 3] zelf gebruikte van de middelen die hij eigenlijk moest verkopen. Daardoor bouwde hij een extra schuld op bij de verdachte. Het kwam voor dat [benadeelde 3] niets verdiende aan het dealen, omdat hij zijn schuld moest aflossen. Omdat [benadeelde 3] verslaafd was aan verdovende middelen en verdachte degene was die [benadeelde 3] daarin kon faciliteren, kan misbruik uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht in die zin worden verondersteld. Daar komt bij dat uit de bewijsmiddelen naar voren komt dat de ‘ [bende] ’ een agressieve en intimiderende groep is, die geweld niet schuwt. [benadeelde 3] noemt de verdachte als een van de bazen en hij heeft verklaard dat hij bang was voor [bende] . De rechtbank stelt gelet op het voorstaande vast dat de verdachte dwang, geweld, dreiging met geweld en andere feitelijkheden heeft toegepast om [benadeelde 3] te bewegen te dealen in verdovende middelen. De rechtbank komt tot de conclusie dat het dossier geen steun bevat voor een bewezenverklaring van misleiding en afpersing en spreekt de verdachte daarvan vrij. (Oogmerk van) uitbuiting Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [benadeelde 3] meermalen heeft gedeald gedurende de ten laste gelegde periode. Dat dealen was eerst vrijwillig, maar vond gedurende de ten laste gelegde periode plaats om een schuld bij de verdachte af te lossen. [benadeelde 3] voelde zich door de kwetsbare positie waarin hij zich bevond, het overwicht dat de verdachte en [bende] op hem hadden en gelet op de angst dat hij slachtoffer zou worden van (nog meer) geweld, gedwongen om te dealen. Van een door de verdediging bepleite situatie waarin [benadeelde 3] zelf steeds (meer) wilde werken was naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande geen sprake. Gelet op de bewijsmiddelen en de door de verdachte toegepaste dwangmiddelen is de rechtbank ervan overtuigd dat [benadeelde 3] op enig moment niet (meer) uit eigen beweging heeft gedeald. [benadeelde 3] kreeg zelf als loper 20% van de dagopbrengsten. Verder mocht hij twee balletjes pakken om te gebruiken. [benadeelde 3] was niet vrij om te bepalen op welke wijze hij zijn schuld ging aflossen. Zijn wil om zelf te bepalen of en, zo ja welke strafbare feiten hij zou gaan plegen en wat hij vervolgens zou gaan doen met de daaruit voortvloeiende opbrengsten was immers als gevolg van de door de verdachte toegepaste dwangmiddelen ernstig beperkt. Alles overwegend en gelet op het vorengaande was naar het oordeel van de rechtbank sprake van een uitbuitingssituatie, waardoor het oogmerk van uitbuiting kan worden verondersteld. Hiermee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van sub 4. Sub 6: opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting Voordeel trekken Uit de verklaringen van [benadeelde 3] maakt de rechtbank op dat 70% van de dagopbrengst naar de ‘bazen’ ging. Dat dit geld naar de verdachte ging, wordt ondersteund door het feit dat [benadeelde 3] moest dealen om zijn schuld af te lossen. Dit wordt ook door de verklaring van [naam 6] ondersteund. Daarnaast heeft de verdachte voordeel genoten doordat hij buiten beeld van de politie bleef, terwijl [benadeelde 3] het risico liep om gepakt te worden en veroordeeld te worden tot een (gevangenis-)straf, en de verdachte de opbrengsten kreeg. (Oogmerk van) uitbuiting en handelingen Dat sprake was van uitbuiting en het oogmerk van uitbuiting is reeds door de rechtbank vastgesteld. Uit de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene blijkt dat verdachte door handelingen zoals bewezenverklaard onder 3.4. opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [benadeelde 3] . Hiermee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van sub 6. Concluderend komt de rechtbank, gelet op het hiervoor overwogene en de onder hiervoor opgenomen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het onder 5 tenlastegelegde, zoals omschreven onder 3.4. 3.4. De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: Dagvaarding I (09/136103-23) 1. hij op momenten in de periode van 26 mei 2023 tot en met 14 mei 2024 te Leiden en Katwijk, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 2. hij op momenten in de periode 30 mei 2023 tot en met 14 mei 2024 te Leiden en Katwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten - het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van, cocaïne en XTC/MDMA- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en zijn mededader(s), wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - besprekingen te voeren over de prijs en het transport van verdovende middelen naar Duitsland, en - verdovende middelen voorhanden te hebben en vervolgens (per auto) verdovende middelen te vervoeren naar Duitsland; 3. hij in de periode van 11 maart 2024 tot en met 12 maart 2024 te Leiden, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [benadeelde 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door met zijn mededaders: - het voertuig van die [benadeelde 1] klem te rijden en tegen die [benadeelde 1] te zeggen dat hij uit zijn voertuig moet stappen, - die [benadeelde 1] uit zijn voertuig te trekken en te halen, - die [benadeelde 1] in een ander voertuig te duwen en te plaatsen, - die [benadeelde 1] in dit voertuig te vervoeren naar een andere locatie, - die [benadeelde 1] vervolgens meermalen in het gezicht te slaan, en - die [benadeelde 1] met zijn mobiele telefoon te filmen terwijl hij een bekentenis aflegt; 4. hij op 14 april 2024 te Katwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [benadeelde 2] meermalen met zijn vuist in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 5. hij op tijdstippen in de periode 18 mei 2023 tot en met 11 maart 2024 te Leiden en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een ander, te weten [benadeelde 3] , telkens door dwang en geweld en een andere feitelijkheid en door dreiging met geweld en door dreiging met een andere feitelijkheid en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie die [benadeelde 3] heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [benadeelde 3] immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader(
- s)- misbruik gemaakt van de harddrugsverslaving van die [benadeelde 3] en - die [benadeelde 3] een schuld laten opbouwen door het afnemen van harddrugs en - die [benadeelde 3] gezegd dat hij een schuld moest afbetalen door harddrugs te verkopen en vervoeren voor verdachte en zijn mededader(
- s)en - die [benadeelde 3] harddrugs (cocaïne en heroïne) laten verkopen en vervoeren voor verdachte en zijn mededader(
- s)en - die [benadeelde 3] mishandeld en wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd en - die [benadeelde 3] mishandeld als hij zijn telefoon uitzette (waardoor hij niet bereikbaar was voor afnemers van drugs) en - die [benadeelde 3] bedreigd dat een vinger zou worden afgeknipt als hij zijn schuld niet zou afbetalen en - die [benadeelde 3] bedreigd dat hij drugs zou moeten smokkelen van en naar Zuid-Amerika in zijn lichaam om zijn schuld af te betalen. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad. 4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De strafoplegging 6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. 6.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt de rechtbank om bij een bewezenverklaring van alle feiten aan de verdachte een gevangenisstraf tussen de zesendertig en achtenveertig maanden op te leggen, bij voorkeur een gevangenisstraf van tweeënveertig maanden. Zij voert daartoe het volgende aan. Een deel van de tenlastegelegde feiten zijn begaan door meer verdachten, terwijl daarvoor enkel de verdachte terechtstaat. Hij zou daar niet als enige de volledige last voor moeten dragen. De reclassering ziet aanleiding voor een vervolgtraject dat door de huidige zaak stil kwam te liggen. De verdachte heeft uit eigen beweging hulp gezocht voor zijn agressieproblematiek door zich aan te melden bij De Waag. Ten tijde van het tenlastegelegde was de verdachte adolescent en zijn leven is inmiddels ten positieve gekeerd. Hij heeft op punten openheid van zaken gegeven, hij is getrouwd, er is een kind op komst en hij heeft wezenlijk perspectief op een beter, delictvrij bestaan. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van de feiten Drugshandel is een ernstig misdrijf omdat het direct bijdraagt aan de verspreiding van drugs in de samenleving, wat ernstige gevolgen heeft voor de gezondheid en veiligheid van burgers. De handel in verdovende middelen zorgt voor een vicieuze cirkel van criminaliteit en geweld, wat de stabiliteit van de samenleving ondermijnt. De verdachte heeft daarnaast kwetsbare anderen, zoals [benadeelde 3] , gebruikt voor zijn eigen verdienmodel. Slachtoffers van criminele uitbuiting zijn vaak mensen die zich in een precaire sociale of economische situatie bevinden. De gevolgen zijn verstrekkend en diepgaand. Verder heeft de verdachte ernstige inbreuken gemaakt op de lichamelijke integriteit en het gevoel van veiligheid door vrijheidsbenemingen en mishandelingen. Dit zijn alle zeer ernstige feiten met vergaande gevolgen voor de slachtoffers. De rechtbank rekent deze feiten de verdachte zwaar aan. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 januari 2026. In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte meermalen is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven, zowel geweldsfeiten als overtredingen van de Opiumwet. Deze veroordelingen zijn onherroepelijk. De feiten 1 en 2 zijn gepleegd in een proeftijd van een veroordeling voor handel in harddrugs. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de voortgang van het toezicht van de verdachte d.d. 27 januari 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek en van een hoog recidiverisico. Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS) en bij soortgelijke zaken. Strafoplegging De rechtbank onderkent de (zeer prille) positieve ontwikkelingen in het privéleven van de verdachte en de stappen die hij zet om zijn leven een betere richting te geven. Daar staat tegenover dat de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, meebrengt dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal alles overwegende aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van het voorarrest. Voorlopige hechtenis De rechtbank wijst het verzoek van de verdediging om de voorlopige hechtenis van de verdachte opnieuw te schorsen af en overweegt daartoe als volgt. Uit de formulering van de schorsingsbeslissing van 17 september 2025, die gewezen is ná het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025, volgt ondubbelzinnig dat het de rechtbank destijds voor ogen heeft gestaan dat de voorlopige hechtenis met het wijzen van het eindvonnis weer ten uitvoer zou worden gelegd. Uit het reclasseringsrapport van 27 januari 2026 blijkt voorts dat het recidiverisico hoog is. Er is dus sprake van een grond en, gelet op de veroordeling, van ernstige bezwaren. De rechtbank is van oordeel dat de belangen van de maatschappij bij de detentie van de verdachte nu zwaarder wegen dan de belangen van de verdachte om een eventueel hoger beroep in vrijheid af te wachten. 7De inbeslaggenomen voorwerpen 7.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder 2 tot en met 4 genoemde voorwerpen op de beslaglijst, te weten in totaal een geldbedrag van € 844,85, verbeurd worden verklaard. 7.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen standpunt over het beslag ingenomen. 7.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal het onder 2 tot en met 4 genoemde voorwerpen op de beslaglijst, te weten een geldbedrag van in totaal € 844,85 verbeurd verklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en deze voorwerpen geheel of gedeeltelijk door middel van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten zijn verkregen. Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. 8De vordering tot tenuitvoerlegging 8.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft bij vordering van 7 december 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 09/236077-21 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 7 december 2021 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vier maanden ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet-naleven van de algemene voorwaarden. 8.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft de rechtbank verzocht de proeftijd te verlengen in verband met het voortzetten van de begeleiding door de reclassering en het eventueel toevoegen van de navolgende bijzondere voorwaarde: - meewerken aan diagnosestelling en behandeling bij De Waag, voor wat betreft de agressieregulatie. 8.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 7 december 2025 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van d.d. 7 december 2021, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd wederom schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. 9De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen: - 33, 33 a, 45, 47, 57, 273f, 282 en 302 van het Wetboek van Strafrecht; - 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 10De beslissing De rechtbank: verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: ten aanzien van feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en ten aanzien van feit 2: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit en ten aanzien van feit 3: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden en ten aanzien van feit 4: poging tot zware mishandeling en ten aanzien van feit 5: mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 4º en 6º van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl deze feiten zijn voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld verklaart de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) JAREN; bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; stelt vast dat bij beslissing van deze rechtbank van 17 september 2025 is bepaald dat de voorlopige hechtenis is geschorst tot aan de einduitspraak en bepaalt dat de voorlopige hechtenis met ingang van heden herleeft; de inbeslaggenomen goederen; verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 2 tot en met 4 genoemde voorwerpen op de beslaglijst, te weten in totaal een geldbedrag van € 844,85; de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf; gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 7 december 2021, gewezen onder parketnummer 09/236077-21 te weten gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Rabbie, voorzitter, mr. M.L. Harmsen, rechter, mr. M.M. Koers, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Kramer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 februari 2026. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het onderzoeksnummer DH6R023029 (onderzoek Heille), van de politie eenheid Districtsrecherche Leiden - Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd p . A1 t/m A708, B1 t/m B1254, C1 t/m C168, D1 t/m D272, E1 t/m E1393, F1 t/m F390, J1 t/m J694). Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 maart 2024, p . B424. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 maart 2024, p . C72. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 maart 2024, p . C81. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 maart 2024, p . B1237. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 maart 2024, p . C13. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 maart 2024, p . C19. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 maart 2024, p . C21-C47. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 maart 2024, p . C49. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 maart 2024, p . C58. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 oktober 2024, p . A650. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 19 maart 2024, p . C120. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 11 april 2024, p . A192. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 maart 2024, p . A426. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 19 maart 2024, p . C120-C121. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 19 maart 2024, p . C121-C124. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 oktober 2024, p . A647. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 oktober 2024, A648. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 oktober 2024, A649. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 juli 2024, p . A588. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 juli 2024, A593. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 18 april 2024, p . C126. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 18 april 2024, p . C127-C160. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 12 maart 2024, p . D27-28. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , opgemaakt op 12 maart 2024, p . D30. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 12 maart 2024, p . D21. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 12 maart 2024, p . D22. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , opgemaakt op 12 maart 2024, p . D32. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 12 maart 2024, p . D22-D23. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 12 maart 2024, p . D41. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 april 2024, p . D71. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 april 2024, p . D72. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 april 2024, p . D71. Het proces-verbaal van bevindingen , opgemaakt op 23 april 2024, p . D182. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 april 2024, p . D73. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 november 2023, p . H11. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 november 2023, p . H14. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 november 2023, p . H13-H14. Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 5] , opgemaakt op 9 augustus 2024, p . H136. Het proces-verbaal van verhoor [benadeelde 3] , opgemaakt op 11 juni 2024, E56. Het proces-verbaal van verhoor [benadeelde 3] , opgemaakt op 11 juni 2024, P . E58. Het proces-verbaal van verhoor [benadeelde 3] , opgemaakt op 11 juni 2024, P . E59. Het proces-verbaal van verhoor [benadeelde 3] , opgemaakt op 11 juni 2024, P . E59. Het proces-verbaal van verhoor [benadeelde 3] , opgemaakt op 11 juni 2024, P . E60. Het proces-verbaal van verhoor [benadeelde 3] , opgemaakt op 11 juni 2024, E61-67. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 11 november 2021, p . CU 9. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 april 2024, p . E. 107 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 6] , opgemaakt op 12 juni 2024, p . E184-186. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 mei 2024, p . H17. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 11 november 2021 (de rechtbank begrijpt: 2024), p . CU11. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 april 2024, p . E147 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 april 2024, p . E147-149. ECLI:Nederland:HR:2009:BI7099. Gerechtshof Amsterdam 8 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5236 ECLI:NL:HR:2025:987