RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.3708 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D. Matadien), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. B. Pattiata). Procesverloop Bij besluit van 21 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. van den Bergh. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Grondslag van de ophouding 1. Eiser vraagt de rechtbank om ambtshalve te toetsen of de ophouding op de juiste grondslag heeft plaatsgevonden, omdat er op het formulier van het proces-verbaal ophouding en onderzoek, de M105A, bij de grondslag geen kruisje is aangevinkt. 1.1. De rechtbank stelt vast dat uit pagina 4 van het proces-verbaal staandehouding/ overbrenging/overdracht, de M105, dat is opgemaakt door dezelfde verbalisanten, blijkt op welke grondslag eiser is opgehouden. Daar is vermeld dat dit gebeurde op grond van artikel 50, derde lid, Vw, omdat de identiteit van eiser direct kon worden vastgesteld en bleek dat hij geen rechtmatig verblijf had. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een gebrek in het voortraject. Gronden van de maatregel 2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 2.1. Eiser betwist alle gronden en betwist het risico op onttrekking. Ter toelichting voert hij aan dat hij de zware grond 3a betwist omdat hij in een asielprocedure zit en zich zichtbaar moet houden, daarmee is er is geen risico op onttrekking. Zware grond 3c is onterecht tegengeworpen omdat hij op grond van individuele omstandigheden niet terug kan keren naar Albanië, hij vreest namelijk voor zijn leven en hij heeft geen documenten. Verder kan lichte grond 4a aan eiser niet worden tegengeworpen, omdat het niet voldoen aan de verplichtingen uit hoofdstuk 4 Vb voortvloeit uit het feit dat hij niet kan terugkeren. Ten slotte betwist eiser de lichte gronden 4c en 4d vanwege zijn status als asielzoeker. 2.2. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a, 3b en 3c kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. 2.3. De rechtbank overweegt dat uit de stukken blijkt dat eiser - tijdens zijn poging tot illegale uitreis naar Groot-Brittannië – als verstekeling is aangetroffen in een schip in de haven te Moerdijk. Eiser heeft zich, zoals verweerder heeft overwogen in zijn toelichting op grond 3b, bij zijn uitreis dan ook niet overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van de Schengengrenscode begeven langs een doorlaatpost. Eiser had ook niet de intentie dat te doen. Immers, eiser heeft onder meer in het gehoor voor de inbewaringstelling van 21 januari 2026 verklaard dat hij naar Nederland is gekomen om illegaal uit te reizen naar Groot-Brittannië, zoals verweerder ook heeft vermeld in zijn toelichting op grond 3a. Gelet op de verklaring van eiser en de omstandigheden waaronder hij is aangetroffen, is het aannemelijk dat eiser vanuit Albanië naar Nederland is gekomen om door te reizen naar Engeland en dat hij al bij zijn inreis in het Schengengebied de intentie had om door te reizen naar Engeland. 2.4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich – mede gelet op wat hiervoor is overwogen - terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zware gronden 3a en 3b zich feitelijk voordoen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2018:1911) overweegt de rechtbank dat eiser, door het Schengengebied in te reizen met de bedoeling om illegaal uit te reizen naar Engeland, niet heeft voldaan aan de voorwaarden die zijn genoemd in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Schengengrenscode. Eiser had daarom geen vrije termijn zoals bedoeld in artikel 12 van de Vw. Nu eiser geen vrije termijn had, verbleef eiser onrechtmatig in Nederland en had hij van zijn verblijf melding moeten maken. Dit heeft hij niet gedaan, zoals verweerder in de toelichting op grond 3b ook heeft vermeld. Alleen al om het voorgaande heeft verweerder de zware gronden 3a en 3b terecht aan eiser tegengeworpen. 2.5. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zware grond 3c zich feitelijk voordoet. Eiser heeft op 29 juni 2023 een beschikking gekregen waarin een terugkeerbesluit is opgenomen waarin staat dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten en anders kan worden uitgezet. De rechtbank merkt op dat er in de maatregel onder zware grond 3c staat eiser op 14 juni 2023 deze meervoudige beschikking heeft ontvangen. Dit moet worden aangemerkt als kennelijke verschrijving, nu uit de stukken blijkt dat dit de datum van de aanvraag is waarop de beschikking ziet. Door niet uit eigen beweging uit Nederland te vertrekken heeft eiser niet aan zijn vertrekplicht voldaan. Eiser is daarom uitzetbaar. Verder heeft eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht om het gevaar dat hij stelt te lopen bij terugkeer naar Algerije te onderbouwen. Verweerder heeft de zware grond 3c dan ook terecht ten grondslag gelegd aan de maatregel van bewaring. 2.6. De zware gronden 3a, 3b en 3c, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Hetgeen eiser heeft aangevoerd tegen de overige gronden, laat de rechtbank dan ook onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet. Lichter middel 3. Eiser betoogt verder dat ten onrechte geen lichter middel is opgelegd, zoals verblijven in een asielzoekerscentrum waar hij ook beschikbaar is voor de autoriteiten. Hij ervaart de bewaring als bijzonder bezwarend, doordat zijn angst en vrees voor terugkeer hierdoor verergeren, evenals zijn psychosomatische klachten en depressiviteit. Verder stelt eiser dat de bewaring een (de rechtbank begrijpt:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.