← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2026:2635

RECHTBANK Den Haag Team Handel Zaak-/rolnummer: C/09/691650 / HA ZA 25-815 Vonnis van 11 februari 2026 in de zaak van [eiser] te [woonplaats] , eiser, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. V.S.J. Chorus, die zich op 2 december 2025 heeft onttrokken, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN te Den Haag, gedaagde, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. M. Beekes. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 14 april 2025 met 19 producties; - de conclusie van antwoord van 4 juni 2025 met 1 productie; - het vonnis van 26 augustus 2025 van de kantonrechter van deze rechtbank waarbij de zaak is doorverwezen naar Team Handel; - het bericht van mr. Chorus van 2 december 2025, waarbij hij zich als advocaat van [eiser] heeft onttrokken. 1.
  2. Namens [eiser] heeft zich geen andere advocaat gesteld en [eiser] is niet verschenen bij de mondelinge behandeling op 6 januari
  3. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Staat vonnis gevraagd. 2De feiten 2.
  4. [eiser] verbleef in 2024 en 2025 als gedetineerde in de Penitentiaire Inrichting [plaats] (hierna: de PI). 2.
  5. De PI is onderdeel van de Dienst Justitiële Inrichtingen. Deze dienst ressorteert onder het Ministerie van Justitie en Veiligheid en daarmee onder de Staat. 2.
  6. Van november 2024 tot en met maart 2025 heeft [eiser] verschillende klachten ingediend bij de Commissie van Toezicht van de PI (hierna: de beklagcommissie). Op een aantal van die klachten had hij op het moment van dagvaarden nog geen beslissing ontvangen. 3Het geschil 3.
  7. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven – een verklaring voor recht dat de Staat niet binnen de wettelijke termijn de klachten van Hofsta heeft behandeld en hij vordert daarnaast dat de Staat wordt opgedragen de klachten van [eiser] binnen zeven dagen alsnog af te handelen, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure. 3.
  8. [eiser] legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat de wettelijke beslistermijn van vier weken voor het afhandelen van 19 van zijn klachten is verstreken. Door het niet tijdig beslissen lijdt [eiser] schade. 3.
  9. De Staat voert verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente. 3.
  10. De Staat legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat de beklag- en beroepsprocedure die is neergelegd in de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) de weg naar de burgerlijke rechter afsluit. Daarnaast heeft [eiser] geen belang meer bij deze procedure omdat hij niet meer in detentie zit. Verder voert de Staat aan dat [eiser] geen belang heeft bij de verklaring voor recht. De wet verbindt namelijk geen gevolgen aan de termijnoverschrijding en [eiser] lijdt geen schade. Tot slot is er inhoudelijk ook geen reden om de vorderingen toe te wijzen. 3.
  11. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
  12. De rechtbank verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen. De weg naar de civiele rechter is namelijk afgesloten, omdat een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat bij een bijzondere rechter. 4.
  13. Op grond van artikel 60 Pbw kan een gedetineerde bij de beklagcommissie beklag doen over een hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing. Tegen uitspraken van de beklagcommissie kan een gedetineerde op grond van artikel 69 Pbw beroep instellen bij de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) (hierna: de beroepscommissie). De rechtsgang bij de beroepscommissie is volgens vaste rechtspraak met voldoende waarborgen omkleed. 4.
  14. Of sprake is van een termijnoverschrijding bij de beslissing op een klacht door een gedetineerde, ligt ter beoordeling voor aan de rechterlijke instantie die op die klacht beslist. Dat is in dit geval de beklagcommissie. Tegen een dergelijke beslissing kan [eiser] desgewenst beroep instellen bij de beroepscommissie. Daardoor is geen rol weggelegd voor de civiele rechter. 4.
  15. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op: - griffierecht € 714,00 - salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × € 653,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.209,00 4.
  16. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5De beslissing De rechtbank: 5.
  17. verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen; 5.
  18. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.
  19. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 5.
  20. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Sturm en in het openbaar uitgesproken op 11 februari
  21. Zie o.a. Gerechtshof Den Haag 15 februari 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:225.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.