RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.13954 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.C. van den Berg), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder, (gemachtigde: mr. K.A.W. Boonen). Procesverloop Bij besluit van 24 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een visum voor kort verblijf kennelijk ongegrond verklaard. Eiser heeft op 24 maart 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld in Breda. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Verder is [referent] , referent, verschenen. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan. Overwegingen
- In geschil is of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat onvoldoende is gebleken of het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf aannemelijk zijn en of er onvoldoende is aangevoerd om aannemelijk te maken dat eiser tijdig zal terugkeren naar zijn land van herkomst. Verder is in geschil of verweerder had moeten horen in bezwaar.
- De rechtbank stelt vast dat in de gronden van bezwaar door de gemachtigde van eiser uitdrukkelijk is vermeld dat eiser gehuwd is en dat hij minderjarige kinderen heeft. Daarbij is gesteld dat een huwelijksakte en de geboorteaktes van de minderjarige kinderen zijn bijgevoegd. Deze stukken bevinden zich evenwel niet in het procesdossier en zijn, naar verweerder ter zitting heeft toegelicht, evenmin in de bezwaarfase door verweerder ontvangen. Dat neemt niet weg dat in de gronden van bezwaar uitdrukkelijk melding is gemaakt van deze stukken en van de daarmee beoogde onderbouwing van de gestelde familiebanden. Indien verweerder constateert dat gestelde bijgevoegde stukken ontbreken, ligt het op zijn weg om daarover contact op te nemen met de gemachtigde. Als het overleggen van die stukken vervolgens zou zijn uitgebleven, had verweerder daaraan voorbij kunnen gaan. De familierechtelijke band is in bezwaar gesteld en in beroep ook met stukken bewezen. Een nauwere gezinsband dan die met een echtgenoot en eigen minderjarige kinderen is niet voorstelbaar. Gelet hierop kan het standpunt van verweerder dat de gezinsband onvoldoende is, niet langer standhouden.
- Eiser heeft de sociale binding met zijn land van herkomst tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt. Deze binding is reeds gesteld in bezwaar en in beroep met stukken onderbouwd. Ten aanzien van de economische binding bestaat er twijfel over de aard en duurzaamheid van de werkzaamheden van eiser, in het bijzonder gelet op de gestelde wisselende werkzaamheden. De rechtbank acht het niet onbegrijpelijk dat verweerder bij deze omstandigheden nadere vragen heeft. Dat laat echter onverlet dat dergelijke vragen in dit geval aanleiding hadden moeten zijn om over te gaan tot het horen van eiser, teneinde deze onduidelijkheden te verhelderen. Juist waar twijfel bestaat over de economische binding, ligt het voor de hand om die twijfel om te zetten in vragen en deze in een hoorzitting aan de orde te stellen. Door een hoorzitting achterwege te laten heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld. Gelet op de aard van de twijfel en de mogelijke betekenis daarvan voor de beoordeling van het gestelde vestigingsgevaar, bestond aanleiding om de hoorplicht in acht te nemen.
- Het beroep is gegrond omdat de hoorplicht, neergelegd in artikel 7:2 van de Awb, is geschonden. Het besluit wordt vernietigd. De rechtbank bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen, na het horen van eiser, dan wel referent.
- Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 24 februari 2025; draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen, nadat eiser of referent is gehoord; veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868 (achttienhonderdachtenzestig euro) aan proceskosten aan eiser; bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194 (honderdvierennegentig euro) moet vergoeden. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en het proces-verbaal daarvan is geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef onder a, grond ii, en onder b, van de Verordening (EU) nr. 810/2009 (Visumcode). Familiebezoek. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:RVS:2022:
- Algemene wet bestuursrecht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.