← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2026:2717

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.5426 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. M. Pater), en de minister van Asiel en Migratie, Procesverloop De minister heeft op 4 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft deze maatregel eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 30 december

  1. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft het vooronderzoek op 5 februari 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen
  2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
  3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 december 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (23 december 2025) rechtmatig is. Is er zicht op uitzetting?
  4. Eiser betoogt dat zicht op uitzetting ontbreekt. Op 9 december 2025 zijn laissez-passers (lp) aangevraagd. Inmiddels zijn bijna twee maanden verstreken sinds de lp-aanvragen en is het de minister nog altijd niet gelukt om eiser uit te zetten. 3.
  5. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije en Marokko. Verder is niet gebleken dat de Algerijnse of Marokkaanse autoriteiten de aanvraag van eiser voor een lp al hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet langer in behandeling hebben. Aan de Algerijnse en Marokkaanse autoriteiten mag enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken en om te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. Niet valt in te zien waarom er geen zicht op uitzetting zou bestaan. Eiser heeft dit niet nader onderbouwd. Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
  6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. De minister heeft onvoldoende rappels verzonden en vertrekgesprekken gehouden met eiser. Uit de voortgangsrapportage volgt niet welke uitzettingshandelingen zijn verricht. Daarnaast heeft in de afgelopen maanden nog geen presentatie plaatsgevonden. 4.
  7. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister op 8 januari 2026 en op 29 januari 2026 heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten en op 8 januari 2026, 20 januari 2026 en op 29 januari 2026 heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. Daarnaast heeft de minister op 6 januari 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Dit zijn uitzettingshandelingen. Voor zover eiser aanvoert dat uit de voortgangsrapportage niet volgt welke uitzettingshandelingen zijn verricht, verwijst de rechtbank naar het bovenstaande. Daarbij merkt de rechtbank op dat het aan de minister is om te bepalen of een presentatie nodig is om voor eiser een lp te verkrijgen. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend gehandeld. Had de minister moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel?
  8. Eiser voert aan dat de minister aanleiding had moeten zien om een lichter middel toe te passen. Eiser verblijft inmiddels ruim twee maanden in bewaring. Eiser heeft aangegeven mee te willen werken aan zijn terugkeer indien een lp wordt afgegeven. Aan eiser zou een meldplicht kunnen worden opgelegd. 5.
  9. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat aan eiser geen lichter middel hoefde worden opgelegd is beoordeeld in de uitspraak van 30 december
  10. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waardoor de rechtbank hier nu anders over zou moeten oordelen. Het enkele tijdsverloop sinds het opleggen van de maatregel is hiertoe onvoldoende. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
  11. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. Conclusie en gevolgen
  12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 30 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:
  13. Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw
  14. ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
  15. ABRvS 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
  16. Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 30 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25480, r.o. 4.
  17. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.