Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 22-7514 Zaaknummer: C/09/637812 Datum beschikking: 16 januari 2026 Nevenvoorzieningen bij echtscheiding Beschikking op het op 3 november 2022 ingekomen verzoek van: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M.P. Biesbroek te Rotterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M. Hoogeveen te Gouda. Procedure Bij beschikking van deze rechtbank van 16 januari 2024 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, gehuwd op [datum] 2019 te [plaats 1], [land]. Op 13 februari 2024 is de echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank heeft de overige verzoeken aangehouden. De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook: - het F9-bericht van de vrouw van 1 december 2025, met bijlagen; - het F9-bericht van de vrouw van 9 december 2025, met bijlagen. Op 12 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk: J. Lakjaa; de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Verzoek en verweer Het verzoek van de man strekt, nu de echtscheiding al is uitgesproken, nog tot het treffen van nevenvoorzieningen, inhoudende: - een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld, in die zin dat zolang de man niet over geschikte woonruimte beschikt, de kinderen iedere week een dag in het weekend bij hem verblijven, om uiteindelijk toe te werken naar een zorgregeling waarbij de kinderen eenmaal per veertien dagen gedurende het weekend en de helft van de vakanties en feestdagen bij de man verblijven, althans een door de rechtbank te bepalen regeling; - een bijdrage aan kinderalimentatie wordt vastgesteld van € 73,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de vrouw, na wijziging, zelfstandig verzocht om de volgende nevenvoorzieningen: - vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw; - vaststelling van een opbouwende zorgregeling, waarbij wordt toegewerkt naar en zorgregeling, waarbij de kinderen om de week van vrijdag uit school/opvang tot maandag naar school/opvang bij de man verblijven; - vaststelling van een bijdrage aan kinderalimentatie van € 408,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand; - toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning; - veroordeling van de man tot betaling van het resterende deel van de bruidsgave van 30.000,- Marokkaanse Dirham te betalen binnen een maand na de datum van de beschikking; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man voert – onder referte voor het overige – verweer tegen de verzochte kinderalimentatie en bruidsgave, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling I. De kinderen Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Hoofdverblijfplaats De vrouw heeft verzocht om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij haar vast te stellen. De man heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Nu ook niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank het verzoek toewijzen. Zorgregeling In de beschikking inzake de voorlopige voorzieningen zijn partijen doorverwezen naar [zorginstantie 1] voor een traject omgangsbegeleiding. Vanwege de sluiting van [zorginstantie 1], is de omgangsbegeleiding overgedragen aan ‘[zorginstantie 2]’. Sinds half november 2025 verblijven de kinderen op zaterdag van 10.00 uur tot 16.00 uur bij de man, waarbij alleen aan het begin en eind begeleiding aanwezig is. De laatste keer heeft de man [minderjarige 1] en [minderjarige 2] rechtstreeks bij de vrouw opgehaald. In de komende kerstvakantie zullen ze voor het eerst een nacht bij de man blijven slapen. Beide partijen zien dat met name [minderjarige 1] soms moeite heeft om met de man mee te gaan. Volgens de man is dat geen probleem meer zodra [minderjarige 1] bij de man thuis is, maar de vrouw heeft daar haar twijfels over. Zij vindt dat de band tussen hen meer moet worden opgebouwd en dat de man ook meer inzet moet tonen tijdens het contact met de kinderen. Ondanks hun verschil van opvatting, zijn partijen het er wel over eens dat zij de opbouw onder begeleiding van [zorginstantie 2] willen voortzetten. De rechtbank vindt dat ook in het belang van de kinderen. De rechtbank zal als einddoel een zorgregeling bepalen, waarbij de kinderen om de week in het weekend van vrijdag tot en met maandag bij de man zijn, zoals ook door hem is verzocht. Hoewel de man op de zitting heeft aangegeven dat het met zijn huidige (uitzend)werk lastig is om hieraan invulling te geven vanwege de nachtdiensten, is het wel wat hij op termijn graag wil. De rechtbank laat de regie voor de precieze invulling van de opbouw bij [zorginstantie 2]. Wanneer blijkt dat de overnachting in de kerstvakantie goed is verlopen en zij adviseren om de overnachtingen voort te zetten, dan is het naar oordeel van de rechtbank het meest passend om deze overnachting van zondag op maandag plaats te laten vinden. Dit sluit het beste aan op het werkschema van de man en het geeft hem daarnaast de mogelijkheid om [minderjarige 1] naar school te brengen op maandag, zodat hij ook bij de school betrokken raakt. De man zal dan [minderjarige 2] of naar de moeder of naar de kinderopvang brengen. De rechtbank kan zich voorstellen dat er daarna wordt uitgebreid met een overnacht van zaterdag op zondag en vervolgens met een overnachting van vrijdag op zaterdag. Op het moment dat deze stappen worden genomen, verwacht de rechtbank van de man dat hij zijn werk hierop heeft aangepast. Door de vader is tot slot ook verzocht om de vaststelling van een vakantieregeling. Gelet op de opbouw die moet plaatsvinden, voert het naar oordeel van de rechtbank te ver om nu een vakantieregeling vast te stellen en zij zal dat verzoek daarom afwijzen. De rechtbank kan zich echter wel voorstellen dat de vakanties op termijn tussen partijen bij helfte zullen worden verdeeld. Ten aanzien van de feestdagen zal de rechtbank bepalen dat partijen deze, eventueel met behulp van [zorginstantie 2], in onderling overleg moeten verdelen. Mogelijk kan [zorginstantie 2] de ouders op termijn ook ondersteunen bij het maken van afspraken over de vakantieverdeling, wanneer het partijen samen niet lukt. Kinderalimentatie Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de minderjarigen in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Ingangsdatum Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. Daarbij zal als ingangsdatum, de datum van de beschikking worden genomen, omdat bij de voorlopige voorzieningen al een voorlopige kinderbijdrage is vastgesteld. De man heeft daarmee tot op heden heeft voldaan aan zijn onderhoudsplicht. Behoefte Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald. De rechtbank zal daarbij het jaar 2022 als uitgangspunt nemen, omdat partijen in dit jaar feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Partijen zijn het niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 448,- bruto per week, exclusief vakantiegeld. De rechtbank houdt verder rekening met de premie AZV en de WGA-premie. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van het huwelijk op € 2.057,- per maand. Aan de zijde van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 3.221,- bruto per maand, te vermeerderen met individueel keuzebudget (IKB) van € 527,- per maand. De rechtbank houdt daarnaast rekening met een pensioenpremie en een premie ABP. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI op het moment van het huwelijk op € 2.690,- per maand. Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2022 dus € 4.783,- per maand (€ 2.057 + € 2.690 + € 36,-). Op basis van dit inkomen hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 36,- per maand, waarmee rekening is gehouden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2022 en acht kinderbijslagpunten, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.081,- per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.322,- per maand. De vrouw stelt dat het tabelbedrag moet worden verhoogd met de netto kosten kinderopvang die de vrouw nu maakt. Ten tijde van het huwelijk maakten partijen geen kosten voor de kinderopvang. Deze kosten voor de kinderopvang bedragen € 740,- netto per maand. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat in het tabelbedrag alle normale kosten, waaronder ook kosten van kinderopvang, zijn begrepen. Zodanige hoge kosten voor kinderopvang in verband met de verwerving van inkomsten die niet (volledig) gecompenseerd worden door lagere uitgaven op andere posten, kunnen leiden tot een correctie op het tabelbedrag. Bij het (hierna te bespreken) huidige inkomen van de vrouw past dat er hoge netto kosten voor kinderopvang zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is de verhouding tussen de behoefte van de kinderen en de opvangkosten in dit geval zodanig, dat er niet van uit kan worden gegaan dat deze volledig in het tabelbedrag zijn verdisconteerd. De rechtbank zal daarom de helft van de netto opvangkosten, aldus € 370,-, bij de behoefte van de kinderen optellen. De totale behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt dan € 1.692,- per maand. De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld. Draagkracht Draagkracht van de man Partijen zijn het erover eens dat voor de berekening van de draagkracht van de man zal worden uitgegaan van zijn bruto inkomen in 2025 van € 55.800,-, exclusief vakantiegeld. De rechtbank houdt verder rekening met een pensioenpremie en een premie WGA. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 3.614,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Tussen partijen is in geschil of aan de zijde van de man al dan niet moet worden gerekend met de forfaitaire woonlast. De man woont op dit moment in de woning van de ouders van zijn nieuwe partner, zodat zijn woonlasten lager zijn. Nu in het navolgende zal blijken dat geen sprake is van een tekort aan draagkracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om uit te gaan van een lagere woonlast. Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [3.614 – (1.084 + 1.365)] = € 816,- per maand. Draagkracht van de vrouw Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een brutoloon van € 4.383,- per maand, te vermeerderen met een individueel keuzebudget van € 747,- per maand. De rechtbank houdt verder rekening met een pensioenpremie, de premie AOP en de premie arbeidsongeschiktheid. Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 4.374,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Omdat het NBI van de vrouw ook hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [4.374 – (1.312 + 1.365)] = € 1.188,- per maand. Draagkrachtvergelijking De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.004,- per maand (€ 816 + € 1.188). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. Het eigen aandeel van de man bedraagt: 816 / 2.004 x 1.692 = € 689,- Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.188 / 2.004 x 1.692 = € 1.003,- samen € 1.692,- Van de totale behoefte van de kinderen komt een gedeelte van € 689,- per maand, wat neerkomt op € 345,- per maand per kind voor rekening van de man. Een gedeelte van € 1.003,- per maand, wat neerkomt op € 502,- per maand per kind, komt voor rekening van de vrouw. Zorgkorting Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de man op dit moment gemiddeld minder dan één dag per week de zorg heeft voor de kinderen geldt een percentage van
- De zorgkorting bedraagt dan € 66,- per maand (5% van € 1.322-). Gelet op de opbouw van de zorgregeling, zoals hiervoor besproken, zal ook het percentage aan zorgkorting toenemen. Op het moment dat het einddoel van de opbouw is bereikt, zal een zorgkorting van 15% gelden, aldus € 198,- per maand. De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan op dit moment € 623,- per maand (€ 689 -/- € 66). Vanaf het moment dat het einddoel van de zorgregeling is bereikt, wordt de bijdrage voor de man € 491,- per maand (€ 689 -/- € 198). De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot deze bedragen toewijzen en voor het overige afwijzen. Huurrecht Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw en wordt dit verzoek volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst. Inhoudelijke beoordeling De vrouw verzoekt om de toedeling van het huurrecht van de echtelijke woning aan haar. De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank zal het verzoek daarom als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen. Bruidsgave De vrouw heeft tot slot verzocht om de man te veroordelen tot betaling van het (restant van) de bruidsgave. Tussen partijen is niet in geschil dat in de huwelijksakte is opgenomen dat de man aan de vrouw een bruidsgave van 50.000 Marokkaanse Dirham voldoet. Evenmin is in geschil dat de vrouw bij het aangaan van het huwelijk 20.000 Dirham heeft ontvangen, zodat er nog 30.000 Dirham resteert. Ontvankelijkheid De rechtbank is van oordeel dat de verzochte voorziening met betrekking tot de bruidsgave als een nevenvoorziening in de zin van artikel 827 lid 1 sub g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan worden opgevat. Het verzoek vertoont voldoende samenhang met de echtscheiding. Evenmin leidt de behandeling van het verzoek tot onnodige vertraging, omdat het tegelijkertijd met de andere nevenvoorzieningen wordt behandeld. Rechtsmacht en toepasselijk recht huwelijksvermogensregime Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels). Op het huwelijksvermogensstelsel van partijen is de Verordening huwelijksvermogens-stelsels van toepassing. Niet gesteld of gebleken is dat partijen ten aanzien van het huwelijksvermogensstelsel een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. Partijen hebben na de huwelijkssluiting niet hun eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd. De vrouw woonde op dat moment al in Nederland, de man is pas in 2021 naar Nederland gekomen. Volgens artikel 26, eerste lid, onder b van de Verordening wordt het huwelijksvermogensstelsel daarom beheerst door het Marokkaanse recht, als het recht van de staat waarvan partijen op het moment van huwelijkssluiting beiden de nationaliteit hadden. Omdat de bruidsgave voortvloeit uit het door de man en de vrouw gesloten huwelijk, moet het verzoek van de vrouw tot voldoening van de bruidsgave dus worden beoordeeld naar Marokkaans recht. Ook het materiële bewijsrecht met betrekking tot de bruidsgave wordt op grond van artikel 10:13 BW beheerst door Marokkaans recht. Inhoudelijke beoordeling De man heeft op de zitting gesteld dat de vrouw geen aanspraak kan maken op het resterende deel van de bruidsgave, omdat het in dit geval de man was die het verzoek tot echtscheiding heeft ingediend. De vrouw had alleen recht op het restant van de bruidsgave, indien zij de echtscheiding had verzocht. De rechtbank kan dit standpunt van de man niet volgen. De man heeft nagelaten zijn standpunt te onderbouwen en de door hem gestelde conclusie volgt ook niet uit het Marokkaanse huwelijksrecht, zoals opgenomen in de Mudawwana. De rechtbank gaat daarom voorbij aan dit verweer. Subsidiair heeft de man zich op het standpunt gesteld dat de bruidsgave moet worden betrokken in de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Het Marokkaanse huwelijksvermogensrecht – zoals dat is neergelegd in de Mudawwana – kent echter geen enkele gemeenschap van goederen. Door het huwelijk als zodanig ontstaat geen gemeenschappelijk vermogen. Iedere echtgenoot behoudt wat van hem of haar is en wat hij of zij tijdens het huwelijk verkrijgt. Uitgangspunt is verder dat iedere echtgenoot zelf aansprakelijk is met zijn gehele vermogen voor zijn eigen schulden. Het recht om de bruidsgave te innen valt op grond van het Marokkaanse huwelijksvermogensrecht dus niet in een gemeenschap en behoort enkel toe aan de vrouw. Zij kan daarom jegens de man aanspraak maken op het restant van de bruidsgave ten bedrag van 30.000 Dirham (omgerekend € 2.795,-) en de rechtbank zal haar verzoek toewijzen. Beslissing De rechtbank: bepaalt dat de minderjarigen: - [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats]; - [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats]; de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw; bepaalt een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en de kinderen, waarbij de opbouw plaatsvindt onder regie van [zorginstantie 2] en in samenspraak met de ouders, en waarbij het einddoel is dat de kinderen om de week van vrijdag uit school of opvang tot maandag naar school of opvang bij de vader verblijven; bepaalt dat de vrouw met ingang van heden de huurster zal zijn van de woonruimte te ([postcode]) [plaats 2], aan de [adres]; bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tezamen voldoet van: zolang de zorgregeling nog wordt opgebouwd: € 623,- per maand; nadat de zorgregeling is opgebouwd: € 491,- per maand; telkens bij vooruitbetaling te voldoen; veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van het equivalent van 30.000 Marokkaanse Dirham in euro’s, zijnde een bedrag van € 2.795,-, te voldoen binnen een maand na de betekening van deze beschikking; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 16 januari
- Partij Alimentatieplichtige Zaak Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (C/09/637812) Berekening Behoefte Tarieven 2022-2 Kenmerk C/09/637812 Box 1 Inkomen uit werk en woning Loon (41-50) 41 Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking € 23.296 44 Vakantietoeslag € 1.864 Bruto inkomsten € 25.160 Premies (51-59) Pensioenpremie 53 Aanvullende pensioenpremie / premie reparatie WAO/WIA-gat - € 48 54 Loon voor de premies werknemersverzekeringen € 25.112 Premies werknemersverzekeringen 56 Premie arbeidsongeschiktheid € 32 Totaal premies werknemersverzekeringen - € 32 59 Inkomsten € 25.080 Belastbaar loon (61-64) 64 Belastbaar loon € 25.080 Heffing box 1 (94-95) 94 Belastbaar inkomen uit werk en woning € 25.080 - Schijf 1a, 37,07% (19,17%) over € 0 t/m € 35.472 (€ 36.409) € 9.297 95 Inkomensheffing box 1 € 9.297 Besteedbaar inkomen (113-120) 113 Inkomen voor aftrek inkomensheffing € 25.080 114 Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3 € 9.297 115/116 Heffingskorting en standaard heffingskorting - € 8.896 117 Verschuldigde inkomensheffing - € 401 Inkomen na aftrek inkomensheffing € 24.679 Specificaties voor post: 115/116 Algemene Heffingskorting € 2.662 jaar Arbeidskorting € 3.959 jaar Combinatiekorting € 2.275 jaar Totale inkomsten € 24.679 120 Besteedbaar inkomen € 24.679 120a Netto besteedbaar inkomen (per jaar) € 24.679 120a Netto besteedbaar inkomen (per maand) € 2.057 Partij Alimentatiegerechtigde Zaak Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (C/09/637812) Berekening Behoefte Tarieven 2022-2 Datum uitdraai 13-01-2026 Kenmerk C/09/637812 Box 1 Inkomen uit werk en woning Loon (41-50) 41 Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking € 38.652 49c Individueel keuze budget (IKB/PKB) € 6.327 Bruto inkomsten € 44.979 Premies (51-59) Pensioenpremie 51 Ingehouden pensioenpremie - € 2.466 54 Loon voor de premies werknemersverzekeringen € 42.513 59 Inkomsten € 42.513 Belastbaar loon (61-64) 64 Belastbaar loon € 42.513 Heffing box 1 (94-95) 94 Belastbaar inkomen uit werk en woning € 42.513 - Schijf 1a, 37,07% (19,17%) over € 0 t/m € 35.472 (€ 36.409) € 13.149 - Schijf 1b, 37,07% over € 35.473 (€ 36.410) t/m € 69.398 € 2.610 95 Inkomensheffing box 1 € 15.759 Besteedbaar inkomen (113-120) 113 Inkomen voor aftrek inkomensheffing € 42.513 114 Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3 € 15.759 115/116 Heffingskorting en standaard heffingskorting - € 5.532 117 Verschuldigde inkomensheffing - € 10.227 Inkomen na aftrek inkomensheffing € 32.286 Specificaties voor post: 115/116 Algemene Heffingskorting € 1.615 jaar Arbeidskorting € 3.917 jaar Totale inkomsten € 32.286 120 Besteedbaar inkomen € 32.286 120a Netto besteedbaar inkomen (per jaar) € 32.286 120a Netto besteedbaar inkomen (per maand) € 2.690 NBGI voor scheiding Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding NBI voor scheiding [de man] € 2.057 NBI voor scheiding [de vrouw] € 2.690 Bij: Kindgebonden budget voor scheiding € 36 Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding € 4.783 Eigen aandeel kosten kinderen Eigen aandeel kosten kinderen Ouders hebben in gezinsverband geleefd ja NBGI voor scheiding € 4.783 Tabel aantal kinderen 2 Totaal aantal punten 8 Eigen aandeel ouders in de kosten kinderen volgens tabel € 1.081 # Indexeren ja Startjaar 2022 Eindjaar 2026 Eigen aandeel ouders geïndexeerd € 1.322 Partij [de man] Zaak [de man] / [de vrouw] Berekening Draagkracht Tarieven 2026-1 Datum uitdraai 13-01-2026 Box 1 Inkomen uit werk en woning Loon (41-50) 41 Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking € 55.800 44 Vakantietoeslag € 4.464 Bruto inkomsten € 60.264 Premies (51-59) Pensioenpremie 51 Ingehouden pensioenpremie - € 1.500 54 Loon voor de premies werknemersverzekeringen € 58.764 59 Inkomsten € 58.764 Belastbaar loon (61-64) 64 Belastbaar loon € 58.764 Heffing box 1 (94-95) 94 Belastbaar inkomen uit werk en woning € 58.764 - Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123) € 13.900 - Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426 € 7.467 95 Inkomensheffing box 1 € 21.367 Besteedbaar inkomen (113-120) 113 Inkomen voor aftrek inkomensheffing € 58.764 114 Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3 € 21.367 115/116 Heffingskorting en standaard heffingskorting - € 6.086 117 Verschuldigde inkomensheffing - € 15.281 Inkomen na aftrek inkomensheffing € 43.483 Specificaties voor post: 115/116 Algemene Heffingskorting € 1.258 jaar Arbeidskorting € 4.828 jaar Af: Netto premie (WGA/WHK) € 120 120 Besteedbaar inkomen € 43.363 120a Netto besteedbaar inkomen (per jaar) € 43.363 120a Netto besteedbaar inkomen (per maand) € 3.614 Draagkracht tbv kinderalimentatie Draagkracht tbv kinderalimentatie 120a Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie € 3.614 Draagkracht wordt berekend op basis van Formule 122a Kosten van levensonderhoud € 1.365 123a Woonbudget € 1.084 135a Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie € 2.449 136a Draagkrachtruimte € 1.165 137a Draagkrachtpercentage % 70 Beschikbaar € 816 140a Draagkracht tbv kinderalimentatie € 816 Partij [de vrouw] Zaak [de man] / [de vrouw] Berekening Draagkracht Tarieven 2026-1 Datum uitdraai 13-01-2026 Box 1 Inkomen uit werk en woning Loon (41-50) 41 Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking € 52.596 49c Individueel keuze budget (IKB/PKB) € 8.968 Bruto inkomsten € 61.564 Premies (51-59) Pensioenpremie 51 Ingehouden pensioenpremie - € 3.467 54 Loon voor de premies werknemersverzekeringen € 58.097 Premies werknemersverzekeringen 56 Premie arbeidsongeschiktheid € 288 Totaal premies werknemersverzekeringen - € 288 59 Inkomsten € 57.809 Belastbaar loon (61-64) 64 Belastbaar loon € 57.809 Heffing box 1 (94-95) 94 Belastbaar inkomen uit werk en woning € 57.809 - Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123) € 13.900 - Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426 € 7.108 95 Inkomensheffing box 1 € 21.008 Besteedbaar inkomen (113-120) 113 Inkomen voor aftrek inkomensheffing € 57.809 114 Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3 € 21.008 115/116 Heffingskorting en standaard heffingskorting - € 9.241 117 Verschuldigde inkomensheffing - € 11.767 Inkomen na aftrek inkomensheffing € 46.042 Specificaties voor post: 115/116 Algemene Heffingskorting € 1.319 jaar Arbeidskorting € 4.890 jaar Combinatiekorting € 3.032 jaar Bij: Kindgebonden budget € 6.442 120 Besteedbaar inkomen € 52.484 120a Netto besteedbaar inkomen (per jaar) € 52.484 120a Netto besteedbaar inkomen (per maand) € 4.374 Draagkracht tbv kinderalimentatie Draagkracht tbv kinderalimentatie 120a Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie € 4.374 Draagkracht wordt berekend op basis van Formule 122a Kosten van levensonderhoud € 1.365 123a Woonbudget € 1.312 135a Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie € 2.677 136a Draagkrachtruimte € 1.697 137a Draagkrachtpercentage % 70 Beschikbaar € 1.188 140a Draagkracht tbv kinderalimentatie € 1.188 Berekening en verdeling van de kosten van de kinderen bij 5% zorgkorting [de man] [de vrouw] Kindgebonden budget na scheiding € 0 € 323 Alleenstaande ouderkop € 0 € 214 Totaal netto besteedbaar inkomen na scheiding (NBI incl. KGB/AOK) € 3.614 € 4.374 Aantal kinderen 2 [minderjarige 1] [minderjarige 2] Leeftijd 5 3 Woont bij AP 0 0 AG 1 1 Ex-partner 0 0 Zorgkorting [de vrouw] % 0 0 Zorgkorting [de man] % 5 5 Zorgkorting tbv. AP AP [minderjarige 1] [minderjarige 2] Totaal Bijdrage ouders in kosten kinderen € p/m 661 661 1.322 Netto kinderopvangkosten na scheiding € p/m 185 185 370 Overige kosten kinderen na scheiding € p/m 0 0 0 Totale kosten kinderen na scheiding € p/m 846 846 1.692 Zorgkorting € p/m 33 33 66 Draagkracht [de man] Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte € p/m 408 408 816 Draagkracht [de man] per kind € p/m 408 408 816 Draagkracht [de man] € p/m 408 408 816 [de vrouw] Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte € p/m 594 594 1.188 Draagkracht [de vrouw] per kind € p/m 594 594 1.188 Draagkracht [de vrouw] € p/m 594 594 1.188 Gezamenlijke draagkracht onderhoudsplichtige(n) per kind € p/m 1.002 1.002 2.004 Bijdrage kosten kinderen Aandeel [de man] € p/m 344 344 689 Af: zorgkorting € p/m - 33 - 33 - 66 Ten laste van [de man] na aftrek zorgkorting € p/m 311 311 623 Aandeel [de vrouw] € p/m 502 502 1.003 Af: zorgkorting € p/m - 0 - 0 - 0 Ten laste van [de vrouw] na aftrek zorgkorting € p/m 502 502 1.003 Berekening en verdeling van de kosten van de kinderen bij 15% zorgkorting [de man] [de vrouw] Kindgebonden budget na scheiding € 0 € 323 Alleenstaande ouderkop € 0 € 214 Totaal netto besteedbaar inkomen na scheiding (NBI incl. KGB/AOK) € 3.614 € 4.374 Aantal kinderen 2 [minderjarige 1] [minderjarige 2] Leeftijd 5 3 Woont bij AP 0 0 AG 1 1 Ex-partner 0 0 Zorgkorting [de vrouw] % 0 0 Zorgkorting [de man] % 15 15 Zorgkorting tbv. AP AP [minderjarige 1] [minderjarige 2] Totaal Bijdrage ouders in kosten kinderen € p/m 661 661 1.322 Netto kinderopvangkosten na scheiding € p/m 185 185 370 Overige kosten kinderen na scheiding € p/m 0 0 0 Totale kosten kinderen na scheiding € p/m 846 846 1.692 Zorgkorting € p/m 99 99 198 Draagkracht [de man] Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte € p/m 408 408 816 Draagkracht [de man] per kind € p/m 408 408 816 Draagkracht [de man] € p/m 408 408 816 [de vrouw] Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte € p/m 594 594 1.188 Draagkracht [de vrouw] per kind € p/m 594 594 1.188 Draagkracht [de vrouw] € p/m 594 594 1.188 Gezamenlijke draagkracht onderhoudsplichtige(n) per kind € p/m 1.002 1.002 2.004 Bijdrage kosten kinderen Aandeel [de man] € p/m 344 344 689 Af: zorgkorting € p/m - 99 - 99 - 198 Ten laste van [de man] na aftrek zorgkorting € p/m 245 245 491 Aandeel [de vrouw] € p/m 502 502 1.003 Af: zorgkorting € p/m - 0 - 0 - 0 Ten laste van [de vrouw] na aftrek zorgkorting € p/m 502 502 1.003