Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2026:2923
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.47804 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [nummer] , (gemachtigde: mr. A. Hol), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. L. Drenthe).
Procesverloop In het bestreden besluit van 26 september 2025 heeft de minister de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van eiser afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
In de tussenuitspraak van 29 januari 2026 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om binnen zestien weken na bekendmaking van de tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak.
De minister heeft in reactie op de tussenuitspraak op 9 februari 2026 schriftelijk verklaard geen gebruik te maken van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
De rechtbank heeft -op grond van artikel 8:57, tweede lid, onder a, van de Awb- bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten. Partijen hebben hiervan op 13 februari 2026 bericht gekregen.
Overwegingen 1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Meesters – van Luijk, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Algemene wet bestuursrecht.
Vgl. ABRvS 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1013, r.o. 5.1.