RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.40202 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding In het besluit van 30 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar zijn land van herkomst. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Hierop hebben partijen niet binnen de gegeven termijn gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb. Beoordeling door de rechtbank
- Eiser is geboren op [geboortedag] 1998 en heeft de Marokkaanse nationaliteit.
- Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’. Verweerder heeft op 7 februari 2024 een terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:4276) is het beroep hiertegen ongegrond verklaard. Omdat er onduidelijkheid ontstond over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit, heeft verweerder de gevolgen van de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt. In het bestreden besluit heeft verweerder bepaald dat het eerdere terugkeerbesluit te vroeg is genomen en dat eiser binnen vier weken na 4 september 2025 Nederland moet verlaten.
- Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder zijn tijdelijke bescherming niet mag beëindigen. Volgens eiser handelt verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel door terug te komen op de bevriezingsmaatregel, en handelt verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel door de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ wel en die van Oekraïners niet te beëindigen. Ook voert eiser aan dat verweerder heeft nagelaten onderzoek te doen of eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst hij daar een reëel risico op ernstige schade loopt zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder beroept eiser zich op het recht op familie- en privéleven zoals neergelegd in artikel 8 van het EVRM. Verweerder had ook op dit punt zorgvuldig onderzoek moeten verrichten. Daarbij heeft verweerder op grond van artikel 6 van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn) de mogelijkheid om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen. Tot slot stelt eiser dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord voorafgaand aan het uitvaardigen van het bestreden besluit. De rechtbank oordeelt als volgt.
- In het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836 en ECLI:NL:RBAMS:2025:4843) is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart
- Met het bestreden besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet is gebleken dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het bestreden besluit vermeldt dat hij binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar Marokko. Daarmee voldoet het bestreden besluit aan de vereisten van de Terugkeerrichtlijn.
- Eiser kan in het verlengde hiervan niet worden gevolgd in zijn stelling dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Zijn tijdelijke bescherming was gebaseerd op de facultatieve bepaling van de RTB en hij heeft de mogelijkheid om terug te keren naar zijn land van herkomst. Dit geldt niet voor Oekraïners en daarmee is geen sprake van gelijke gevallen.
- Omdat de bevriezingsmaatregel niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf, is ook geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarbij komt dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, en van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
- Dergelijke toezeggingen zijn evenmin uit het dossier van eiser op te maken.
- Verder is niet gebleken dat eiser bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Hierbij weegt de rechtbank ook mee dat de asielaanvraag van eiser bij besluit van 1 juni 2023 buiten behandeling is gesteld en dat eiser hiertegen geen rechtsmiddel heeft aangewend dan wel een nieuwe asielaanvraag heeft ingediend. Eiser heeft verder geen omstandigheden aangevoerd die doen vermoeden dat terugkeer naar Marokko kan leiden tot schending van het non-refoulementsbeginsel. Het dossier en ook de algemene bekende situatie van Marokko geven evenmin aanknopingspunten voor deze conclusie. Verweerder heeft daarmee voldaan aan zijn onderzoeksplicht en was dan ook niet gehouden tot een nadere motivering van dit onderdeel van het bestreden besluit.
- Op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn moet bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit rekening worden gehouden met het familie- en gezinsleven. Eiser heeft niet gesteld en onderbouwd dat hij beschermenswaardig familie- of privéleven heeft opgebouwd zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerder was dan ook niet gehouden tot een nadere motivering van dit onderdeel van het bestreden besluit. Verder heeft eiser geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan verweerder aanleiding had moeten zien om eiser ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen. De enkele stelling dat verweerder de mogelijkheid heeft om van deze bevoegdheid gebruik te maken is daarvoor onvoldoende.
- Eisers beroepsgrond dat hij niet is gehoord voordat het bestreden besluit is genomen slaagt ook niet. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 5 juni 2025 een voornemen tot het nemen van een terugkeerbesluit heeft uitgebracht. Vervolgens heeft eiser op dit voornemen gereageerd met een zienswijze. Eiser is daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om feiten en omstandigheden naar voren te brengen voordat het bestreden besluit werd genomen. Daarbij heeft hij in beroep niet toegelicht welke feiten en omstandigheden hij niet naar voren heeft kunnen brengen doordat hij enkel in staat is gesteld een schriftelijke zienswijze naar voren te brengen. Er is dan ook niet gebleken van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
- Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
- Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 13 februari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.