← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2026:2932

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.37190 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M.C.M.E. Schijvenaars), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding In het besluit van 16 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar zijn land van herkomst. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Eiser heeft hierop instemmend gereageerd. Verweerder heeft niet binnen de gegeven termijn gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb. Beoordeling door de rechtbank

  1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1994 en heeft de Algerijnse nationaliteit.
  2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’. Omdat er onduidelijkheid ontstond over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit, heeft verweerder de gevolgen van de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt.
  3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser stelt dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord voorafgaand aan het uitvaardigen van het bestreden besluit. Ook voert eiser aan dat hij niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst omdat hij daar een reëel risico op ernstige schade loopt zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank oordeelt als volgt.
  4. In het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836 en ECLI:NL:RBAMS:2025:4843) is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart
  5. Met het bestreden besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet is gebleken dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het bestreden besluit vermeldt dat hij binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar Algerije. Daarmee voldoet het bestreden besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn).
  6. Eisers beroepsgrond dat hij niet is gehoord voordat het bestreden besluit is genomen slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 4 juni 2025 een voornemen tot het nemen van een terugkeerbesluit heeft uitgebracht. Eiser is daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om feiten en omstandigheden naar voren te brengen voordat het bestreden besluit werd genomen. Daarbij heeft hij in beroep niet toegelicht welke feiten en omstandigheden hij niet eerder naar voren heeft kunnen brengen. Er is dan ook niet gebleken van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
  7. Verder is niet gebleken dat eiser bij terugkeer naar Algerije een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Hierbij weegt de rechtbank ook mee dat de asielaanvraag van eiser bij besluit van 18 augustus 2023 buiten behandeling is gesteld en dat eiser hiertegen geen rechtsmiddel heeft aangewend dan wel een nieuwe asielaanvraag heeft ingediend. Eiser heeft verder geen omstandigheden aangevoerd die doen vermoeden dat terugkeer naar Algerije kan leiden tot schending van het non-refoulementsbeginsel. Het dossier en ook de algemene bekende situatie van Algerije geven evenmin aanknopingspunten voor deze conclusie. Verweerder was dan ook niet gehouden tot een nadere motivering van dit onderdeel van het bestreden besluit.
  8. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
  9. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 13 februari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.