← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2026:2938

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 25/13637 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder. Procesverloop In het besluit van 24 juni 2025 (het bestreden besluit) is het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om verlening van een visum voor kort verblijf ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, middels haar gemachtigde die tevens referent is. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten zitting uitspraak. Overwegingen

  1. Eiseres heeft de Keniaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag]
  2. Op 31 januari 2025 heeft zij verzocht om de afgifte van een visum voor kort verblijf voor een bezoek aan referent (haar partner) van 20 februari 2025 tot 20 mei
  3. Bij het primaire besluit van 6 februari 2025 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Tegen deze beslissing heeft eiseres op 19 februari 2025 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend.
  4. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder overwogen dat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Daarbij bestaat er bij verweerder redelijke twijfel of eiseres na afloop van de gestelde verblijfsduur het grondgebied van de lidstaten zal verlaten, omdat de sociale of economische binding van eiseres met Kenia onvoldoende is aangetoond, dan wel zeer gering is gebleken.
  5. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert het volgende aan. Referent en eiseres hebben elkaar ontmoet via een datingsite en zijn een relatie aangegaan. Referent is gescheiden en heeft drie minderjarige kinderen in co-ouderschap. Eiseres is moeder van een minderjarige zoon en werkte ten tijde van het leren kennen van referent als schoonmaakster in Saudi-Arabië, waarna zij wegens lichamelijke klachten is gestopt met werken en is teruggekeerd naar haar geboorteland Kenia. In januari 2025 zijn partijen een procedure voor kort verblijf gestart, welke door de IND is afgewezen. Tegen deze afwijzing is bezwaar gemaakt. In mei 2025 heeft referent eiseres bezocht in Nairobi en kennisgemaakt met haar familie. Referent voert aan dat hem tijdens zijn bezoek aan Kenia is opgevallen dat het leven daar sterk verschilt van het leven in Nederland en dat hij daarom de behoefte heeft om Nederland ook aan eiseres te laten zien. Vervolgens is een tweede aanvraag voor kort verblijf ingediend, die op 13 augustus 2025 eveneens door de IND is afgewezen. Tegen deze beslissing is opnieuw bezwaar ingesteld. Partijen onderhouden dagelijks telefonisch contact. Referent heeft vanwege zorg voor zijn kinderen en zijn werkzaamheden beperkte mogelijkheden om naar het buitenland te reizen. Partijen geven aan samen een toekomst te willen opbouwen.
  6. De rechtbank overweegt dat het aan de aanvrager van een visum is om het verblijfsdoel en de tijdige terugkeer naar het land van herkomst aannemelijk te maken. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie beschikt verweerder over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van de weigeringsgronden uit artikel 32, eerste lid, van de Visumcode van toepassing is. De rechter kan het besluit van verweerder hierover daarom slechts terughoudend toetsen.
  7. Voor de vraag of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten toetst verweerder de economische en sociale binding van de aanvrager met haar land van herkomst. Naarmate de binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten toe- of afnemen. Het is dan ook aan eiseres om aannemelijk te maken dat de economische en/of sociale binding met Kenia dusdanig is dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat tijdige terugkeer gewaarborgd is.
  8. Verweerder heeft kunnen concluderen dat er geen aanwijzing is dat eiseres economische binding heeft met haar land van herkomst dat tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten. Verweerder kan worden gevolgd in zijn standpunt dat niet is gebleken dan wel aannemelijk is gemaakt dat eiseres over een stabiel of regelmatig inkomen beschikt om zelfstandig in haar onderhoud te voorzien, noch in het land van herkomst, noch in het land van bestendig verblijf. Eiseres heeft bij haar visumaanvraag aangegeven werkloos te zijn. De in bezwaar gegeven toelichting dat eiseres als schoonmaakster in Saudi-Arabië heeft gewerkt en contant werd betaald, waardoor geen loonstroken konden worden overgelegd, heeft verweerder onvoldoende mogen vinden om het bestaan van economische verplichtingen in Kenia aan te nemen. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat geen sprake is van een geringe economische binding met Kenia omdat niet is gebleken dat eiseres over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt om zelfstandig in haar levensonderhoud te voorzien.
  9. Verweerder heeft eveneens kunnen concluderen dat de door eiseres gestelde sociale binding met Kenia niet dusdanig sterk is dat terugkeer is gewaarborgd. Verweerder heeft daarover terecht overwogen dat eiseres weliswaar ouders en broers en zussen heeft in Kenia, maar daar geen zorgtaken voor heeft. Ook is niet gebleken van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiseres zouden dwingen tijdig naar Kenia terug te keren. Verweerder heeft hierbij verder kunnen betrekken dat eiseres een relatie onderhoudt met de referent die in Nederland woonachtig is, waardoor sprake is van enige sociale binding met Nederland. De aanwezigheid van een minderjarig kind in Kenia leidt wel tot sociale binding met Kenia, maar daarover heeft verweerder terecht het standpunt kunnen innemen dat dit niet opweegt tegen de afwezigheid van de overige sociale binding met Kenia, de sociale binding met Nederland en de afwezigheid van economische binding in Kenia. Verweerder heeft niet ten onrechte geoordeeld dat dit samenstel van omstandigheden een tijdige terugkeer naar Kenia niet waarborgen.
  10. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.
  11. Voor proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 2 februari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Griffier Rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Verordening (EG) Nr. 810/
  12. Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, [naam] tegen Duitsland.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.