RECHTBANK Den Haag Team handel Zaak- / rolnummer: C/09/682584 / HA ZA 25-284 Vonnis van 18 februari 2026 in de zaak van 1DE VERENIGING VEILIGHEIDSDOMEIN NEDERLAND te Maastricht,
(2)uit het Köbler-arrest), moet de nationale rechter bij wie een schadevordering is ingediend met alle aspecten rekening houden die de hem voorgelegde situatie kenmerken. Daarbij zijn onder meer de volgende gezichtspunten relevant: de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel; de omvang van de beoordelingsmarge die de geschonden regel de nationale autoriteiten laat; de vraag of al dan niet opzettelijk een schending is begaan of schade is veroorzaakt; e vraag of een eventuele onjuiste rechtsopvatting al dan niet verschoonbaar is; de vraag of, in het voorkomende geval, een instelling van de Europese Unie heeft kunnen bijdragen tot de vaststelling of de instandhouding van met het Unierecht strijdige nationale maatregelen of praktijken; en het feit dat de betrokken rechter zijn verplichting heeft verzuimd om krachtens artikel 267, derde alinea, VWEU een prejudiciële vraag te stellen. 5.
- Uit de voorwaarden zoals weergegeven in 5.1 volgt dat het in de Köbler-jurisprudentie neergelegde toetsingskader alleen van toepassing is als in de hoofdzaak – in dit geval de procedures bij de Afdeling – Unierecht aan de orde is. Uit vaste rechtspraak van het HvJEU volgt dat het Unierecht van toepassing is in een juridische situatie die binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt. Er dient, met andere woorden, een band te bestaan tussen het voorwerp van het nationaalrechtelijke geschil en het recht van de Unie. Partijen twisten in deze procedure over de vraag of Unierecht aan de orde was in de procedures bij de Afdeling. 5.
- VVNL c.s. beroepen zich er in deze procedure op dat in de procedures over de dispensatieverzoeken artikelen 28 en 47 Handvest dienden te worden toegepast en stellen dat het Handvest een integraal onderdeel van het Unierecht vormt, waardoor de Afdeling ambtshalve aan het Handvest had moeten toetsen. De Staat voert echter terecht aan dat de bij de Afdeling voorliggende kwesties uitsluitend op basis van het nationale recht dienden te worden beslist en dat Unierecht niet van toepassing was. 5.
- Het Handvest is binnen de Europese Unie alleen van toepassing binnen de werkingssfeer van het Unierecht. Dat is ook vastgelegd in het Handvest zelf. Op grond van artikel 51 Handvest is het Handvest namelijk uitsluitend van toepassing op de lidstaten van de Unie wanneer het recht van de Unie ten uitvoer wordt gebracht en een nationale regeling binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt. Als dat het geval is moeten de door het Handvest gewaarborgde grondrechten worden geëerbiedigd, zodat er geen gevallen kunnen zijn waarin het Unierecht geldt zonder dat die grondrechten toepassing vinden. Maar dit betekent ook dat de in het Handvest gewaarborgde grondrechten van de Unie niet kunnen worden toegepast als het Unierecht in het concrete geval niet van toepassing is op de gegeven situatie. Voor de toepasselijkheid van Unierecht is het bovendien onvoldoende om enkel aan te voeren dat sprake is van een schending van een grondrecht. 5.
- In de kwesties die bij de Afdeling ter beoordeling voorlagen was geen voorschrift of rechtsregel van Unierecht aan de orde. Het ging om de voorwaarden voor dispensatie van een algemeen verbindend verklaarde cao zoals opgenomen in de Wet AVV en het Toetsingskader AVV. Er is geen Unierecht dat de voorwaarden voor dispensatie van een algemeen verbindend verklaarde cao voorschrijft. Ook blijkt niet dat de Wet AVV of het Toetsingskader AVV Unierecht omzet, uitvoert of implementeert of anderszins bij het Unierecht aanknoopt. Ten aanzien van de ILO-verdragen, waar door VVNL c.s. naar is verwezen, geldt dat deze vallen buiten het kader van het Unierecht. Dit betekent dat uit geen enkel concreet element van de uitspraken van de Afdeling kan worden opgemaakt dat er een band bestaat tussen het voorwerp van die procedures en het recht van de Unie. Het enkele beroep dat VVNL c.s. (pas) in deze procedure doen op artikelen 28 en 47 Handvest maakt dat niet anders.Het Unierecht was dus niet van toepassing op de procedures bij de Afdeling. 5.
- Het voorgaande betekent dat het toetsingskader uit het Köbler-arrest niet van toepassing is op het onderhavige geval. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de stellingen die VVNL c.s. in verband daarmee hebben ingenomen, zoals de stelling dat de Afdeling ten onrechte niet (ambtshalve) heeft getoetst aan artikel 28 en 47 Handvest en de stelling dat de Afdeling ten onrechte heeft nagelaten om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU. 5.
- De slotsom is dat de rechtbank de vorderingen van VVNL c.s. afwijst. Proceskosten 5.
- Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5.
- VVNL c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in de hoofdzaak betalen. 5.
- De proceskosten van de Staat in de hoofdzaak worden begroot op: - griffierecht € 714 - salaris advocaat € 1.306 (2 punten × € 653) - nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.209 5.
- De proceskosten van de cao-partijen (gezamenlijk) in de hoofdzaak worden begroot op: - griffierecht € 714 - salaris advocaat - nakosten € € 653 189 (1 punt × € 653) (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.556 5.
- De door de Staat gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 6De beslissing De rechtbank 6.
- wijst de vorderingen van VVNL c.s. af; 6.
- veroordeelt VVNL c.s. hoofdelijk in de proceskosten van de Staat, vastgesteld op € 2.209, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van de Staat als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald. Als VVNL c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten VVNL c.s. € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening; 6.
- veroordeelt VVNL c.s. hoofdelijk in de proceskosten van de cao-partijen, vastgesteld op € 1.556, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als VVNL c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten VVNL c.s. € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening; 6.
- verklaart dit vonnis onder 6.2 en 6.3 uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten, (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en mr. S.T.H. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 18 februari
- Zie de Afdeling 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4369 en ECLI:NL:RVS:2024:
- HvJEU 30 september 2003, C-224/01, ECLI:EU:C:2003:513 (Köbler). HvJEU 29 juli 2019, C-620/17, ECLI:EU:C:2019:630 (Hochtief Solutions). Vgl. HvJEU 27 maart 2014, C-265/13, ECLI:EU:C:2014:187 (Torralbo Marcos), HvJEU 26 februari 2013, C-617/10, ECLI:EU:C:2013:105 (Åkerberg Fransson) en HvJEU 1 maart 2011, C-457/09, ECLI:EU:C:2011:101 (Claude Chartry). HvJEU 26 februari 2013, C-617/10, ECLI:EU:C:2013:105 (Åkerberg Fransson), r.o.
- HvJEU 1 maart 2011, C-457/09, ECLI:EU:C:2011:101 (Claude Chartry), r.o.
- Zie ook: Europees e-justitieportaal - Deel III – Toepassingsgebied, interpretatie en gevolgen van het Handvest (e-justice.europa.eu). HvJEU 5 februari 2015, C-117/14, ECLI:EU:C:2015:60 (Grima), r.o.
- HvJEU 1 maart 2011, C-457/09, ECLI:EU:C:2011:101 (Claude Charty).