Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2026:3032
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.5507 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. E. Derksen), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
Procesverloop Bij besluit van 1 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Verschenen zijn: eiser (met behulp van een beeldverbinding), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen Was de aanhouding van eiser onrechtmatig en verkapt vreemdelingenrechtelijk?
1.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de aanhouding van eiser een strafrechtelijke aanleiding heeft. Uit het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt en afgesloten op 9 februari 2026 volgt dat de verbalisanten een melding kregen om naar het centraal station van [plaats] te gaan. Aldaar had personeel van VCNS, medewerkers Veiligheid en Service, twee mannen staande gehouden die zich niet konden legitimeren. De aanleiding voor de controle voor deze jongens was dat ze met de trein reisden zonder geldig vervoersbewijs. Hierdoor voerde VCNS een identiteitscontrole uit maar zonder resultaat. Beide personen konden geen geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbieden.
Hierdoor werden de verbalisanten ter plaatse gevraagd om de identiteit van beide personen vast te stellen. Eiser kon zich vervolgens niet legitimeren, waarna hij op grond van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2 van de Wet ID is aangehouden. Dat tijdens deze controle is gebleken dat eiser als verwijderbaar stond geregistreerd en dat de verbalisanten overleg hebben gehad met de hulpofficier van justitie en de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) leidt niet tot een ander oordeel. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de medewerker van AVIM tegen de verbalisanten heeft gezegd dat eiser in meerdere landen verschillende namen opgeeft en dat de verbalisanten daarom niet wisten met wie ze te maken hadden en dat daarom is besloten tot aanhouding.
Dit maakt niet dat de aanhouding een vreemdelingenrechtelijke staandehouding was. Anders dan eiser stelt volgt uit het proces-verbaal van bevindingen van 31 januari 2026 niet dat op het station al was besloten om eiser in vreemdelingenbewaring te stellen. Zoals de minister ter zitting heeft toegelicht, was het reizen zonder geldig vervoersbewijs de feitelijke aanleiding voor het optreden van de verbalisanten. De aanhouding had dus een strafrechtelijke aanleiding en is daarom geen verkapte vreemdelingenrechtelijke staandehouding. De vreemdelingenrechter oordeelt alleen over het gebruik van bevoegdheden toegekend bij of krachtens de Vw 2000. Daarom mag de rechtbank niet beoordelen of de aanhouding onrechtmatig is geweest.
Leidt ambtshalve toetsing tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring?
Conclusie en gevolgen 3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, in aanwezigheid van mr.N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 20 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5013, ABRvS 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:190 en ABRvS 8 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2400.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).