RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.35492 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. D. de Vries), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding
- Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 19 december
- 1.1 De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek. Beoordeling door de rechtbank Is het beroep ontvankelijk en gegrond ?
- Met het besluit van 28 juni 2023 heeft de minister een Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) ingesteld voor vreemdelingen uit Soedan. Met het besluit van 19 december 2023 is de geldigheid van het BVM verlengd. Vervolgens is op 9 juli 2024 de werking van het BVM van rechtswege verlopen.
- De grondslag voor het BVM ligt in de Vw, waarin bepalingen van de Procedurerichtlijn zijn geïmplementeerd. Op basis van deze bepalingen kunnen lidstaten een besluit in individuele gevallen uitstellen bij een onzekere situatie in het land van herkomst. Gelet hierop zal de rechtbank de term “verlengen” opvatten als opschorten. Er is geen sprake van verlengen zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, van de Vw.
- De rechtbank ziet aanleiding om de term verlengen in het BVM op te vatten als opschorten. Daarbij neemt de rechtbank het bepaalde in artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn in aanmerking en het feit dat de Procedurerichtlijn van recentere datum is dan de totstandkoming van de Vreemdelingenwet en het bepaalde in artikel
- Verder is van belang dat de Engelse versie van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn het heeft over postpone. De rechtbank vindt hiervoor ook steun in het doel en de strekking van een BVM. Een BVM ziet op de situatie waarin niet beslist kan worden op aanvragen, omdat de situatie in het land van herkomst dermate complex is dat geen weloverwogen besluit kan worden genomen. Op het moment dat de situatie niet langer complex is en het BVM niet langer van kracht is, gaat de beslistermijn weer lopen en is de minister verplicht weer besluiten te nemen. Dat de wet en het BVM zelf over “verlengen” spreken in plaats van “opschorten” doet hieraan niets af. Nu de Procedurerichtlijn van recentere datum is dan de totstandkoming van de Vreemdelingenwet, komt daaraan naar het oordeel van de rechtbank meer gewicht toe.
- Het voorgaande maakt dat de rechtbank uitgaat van een opschorting van de beslistermijn gedurende de geldigheid van het BVM. Deze opschorting geldt ook voor aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken op het moment dat het BVM van kracht werd.
- In de zaak van eiser geldt dat de aanvraag op 19 december 2023 ingediend, gedurende de geldigheid van het BVM Soedan. Het BVM Soedan is op 9 juli 2024 beëindigd en de beslistermijn is op die datum gaan lopen. De wettelijke beslistermijn van zes maanden is geëindigd op 9 januari
- Eiser heeft de minister op 26 juni 2025 gevraagd om alsnog binnen 14 dagen te beslissen. De minister heeft niet binnen twee weken na de ingebrekestelling beslist op de aanvraag. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
- Op 8 januari 2026 heeft de minister alsnog een besluit genomen. Omdat door de minister een besluit is genomen, is er voor de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat de minister alsnog een besluit op de aanvraag dient te nemen. 8Het beroep is niet-ontvankelijk.
- Nu in het door de minister genomen besluit de aanvraag van eiser is ingewilligd, heeft het onderhavige beroep niet tijdig beslissen geen betrekking op het alsnog genomen besluit. Indien en voor zover eiser in rechte wil opkomen tegen het door de minister genomen besluit van 8 januari 2026 moet daartegen separaat beroep worden ingesteld. Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
- De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’.
- De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak. Welke dwangsom legt de rechtbank op?
- De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
- De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-.
- De minister hoeft geen bestuurlijke dwangsom te betalen. Daarnaast bestaat er geen aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen, omdat de minister inmiddels is tegemoet gekomen aan het verzoek van eiser en alsnog heeft beslist op zijn aanvraag. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister acht weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd. 13Het beroep is niet-ontvankelijk.
- Omdat de minister na het indienen van het beroep alsnog een besluit heeft genomen, is het beroep terecht ingediend, en moet de minister de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
- Deze hersteluitspraak is gedaan omdat de rechtbank in de oorspronkelijke uitspraak ten onrechte geen acht geslagen heeft op het daags ervoor door de minister alsnog genomen besluit. Deze hersteluitspraak treedt in de plaats van de oorspronkelijke uitspraak die heden is gedaan. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond niet-ontvankelijk; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken; bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.S. van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Besluit van 28 juni 2023 tot het instellen van een besluitmoratorium en een vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Sudan (Stscrt. 2023, 18540). Besluit van 19 december 2023 tot het verlengen van het besluitmoratorium en een vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Sudan (Stscrt. 2024, 146). Artikel 43 Vreemdelingenwet (Vw). Artikel 31, vierde lid, van Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn). Artikel 31, vierde lid, van Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn en Artikel 43 Vreemdelingenwet (Vw). Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb. Artikel 8:55d van de Awb. Artikel 6:20, derde lid, van de Awb. Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb. ECLI:NL:RVS:2020:
- Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn. ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:
- Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:
- Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.