← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2026:3063

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.7244 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseres, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. G.A. Dorsman) en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 9 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring opgelegd. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Eiseres heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 11 februari 2026 heeft zij de gronden van het beroep ingediend. Op 12 februari 2026 heeft verweerder hierop gereageerd. Op 16 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen

  1. Eiseres is geboren op [datum] 1989 en heeft de Hongaarse nationaliteit. Maatregel van bewaring
  2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat deze wordt gevorderd door het belang van de openbare orde, omdat er een risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en zij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiseres: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; En als lichte gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiseres: 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
  3. De rechtbank stelt vast dat eiseres de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig ook voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en zij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. Ambtshalve toets
  4. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was. Conclusie
  5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan op 17 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.