RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.42382 V uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van [naam opposant] , opposant V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: [persoon A] ), tegen de uitspraak van de rechtbank van 28 november 2025 in het geding tussen opposant en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding
- Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 28 november 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant gegrond heeft verklaard.
- Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 28 november 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
- De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
- Opposant voert aan dat de beslistermijn van zestien weken voorbijgaat aan de essentie van een beslistermijn, nu het maximale beslistermijn van 21 maanden reeds verstreken is. Dit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Een dergelijke lange nieuwe termijn is bovendien in strijd met de Procedurerichtlijn. Opposant meent dat een beslistermijn van twee weken voldoende tijd moet zijn voor verweerder om een zorgvuldig besluit te nemen.
- Voorop staat dat de rechtbank de uitspraak zonder zitting mag doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. Dat was hier het geval. Het verzet ziet uitsluitend op de door de rechtbank geboden nadere beslistermijn. Deze nadere beslistermijn is in overeenstemming met eerdere uitspraken van deze zittingsplaats van de Rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat hiermee toereikend is gemotiveerd waarom in dergelijke zaken een beslistermijn van zestien weken wordt gehanteerd. De omstandigheid dat opposant zich niet kan vinden in dat oordeel, leidt niet tot het oordeel dat het beroep niet zonder zitting kon worden afgedaan. De rechtbank concludeert dan ook dat het verzetschrift in feite een verkapt hoger beroepschrift is. Daarvoor is de verzetprocedure niet bedoeld. Conclusie en gevolgen
- De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 28 november
- Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 6 januari 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:17), 15 december 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:14606), 30 oktober 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:12749), en 17 september 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:11021)