← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2026:3111

RECHTBANK Den Haag Team Handel Zaaknummer: C/09/656441/HA ZA 23-994 Vonnis van 18 februari 2026 in de zaak van 1LEEUWENBRUG DELFT B.V., te Rotterdam,2. DE HUYTER DELFT B.V., te Rotterdam, eisende partijen, advocaat: mr. M.C. van Kamp, tegen GEMEENTE DELFT, te Delft, gedaagde partij, advocaat: mr. R.D. Boesveld. De eisende partijen worden hierna gezamenlijk aangeduid als Leeuwenbrug (vrouwelijk, enkelvoud) en ieder afzonderlijk als Leeuwenbrug Delft en De Huyter. De gedaagde partij wordt hierna verder de gemeente genoemd. 1Het verdere verloop van de procedure 1.1. In het tussenvonnis van 2 april 2025 heeft de rechtbank overwogen dat het college van B&W (B&W) van de gemeente in strijd met de wet heeft besloten om met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure op 4 november 2021 aan Leeuwenbrug een omgevingsvergunning te verlenen. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit nadien door de gemeente ingetrokken besluit onrechtmatig is tegenover Leeuwenbrug en dat deze onrechtmatige daad aan de gemeente dient te worden toegerekend. De tussenconclusie die de rechtbank daaraan heeft verbonden is dat de gemeente, met inachtneming van de daarvoor overigens geldende regels, aansprakelijk is voor de schade die Leeuwenbrug als gevolg van deze onrechtmatige daad heeft geleden. Op verzoek van partijen heeft de rechtbank de beoordeling in het tussenvonnis beperkt tot de vragen die met deze tussenconclusie zijn beantwoord. 1.2. De zaak is vervolgens aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen om, met behulp van de beoordeling die de rechtbank in het tussenvonnis heeft gegeven, de resterende geschilpunten onderling op te lossen. Nadat partijen de rechtbank hebben bericht dat zij er niet in geslaagd zijn een minnelijke regeling te treffen, heeft de rechtbank een nadere mondelinge behandeling bevolen. 1.3. Deze mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2025. Partijen en hun advocaten hebben het woord gevoerd en vragen van de rechtbank beantwoord. De advocaten van beide partijen hebben (met voorafgaande toestemming van de rechtbank) gebruik gemaakt van spreekaantekeningen die aan de rechtbank zijn overgelegd en daarmee behoren tot de processtukken. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er op de zitting is verklaard. Tot slot is een procesafspraak gemaakt over een extra schriftelijke ronde waarin partijen hun eigen standpunten nader kunnen toelichten en kunnen reageren op de standpunten (inclusief producties) van de wederpartij. Bij de verdere beoordeling komt de rechtbank nog terug op deze procesafspraak. 1.4. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: - Het tussenvonnis van 2 april 2025 met de daarin genoemde stukken; - De conclusie vermindering van eis, met productie 56; - De spreekaantekeningen die de advocaten bij de gelegenheid van de mondelinge behandeling van 1 oktober 2025 hebben overgelegd; - De nadere conclusie tevens akte vermindering van eis, met de producties 57 t/m 83; - De nadere conclusie van de gemeente met de producties 49 en 50 (de eveneens overgelegde producties 51 en 52 zijn geweigerd en behoren niet tot de processtukken, zoals hierna in nr. 2.1 wordt toegelicht). 1.5. Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden. 2De verdere beoordeling Bezwaren van Leeuwenbrug tegen nadere producties van de gemeente 2.1. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 1 oktober 2025 is met partijen afgesproken dat zij gelijktijdig op 26 november 2025 een nadere conclusie mogen nemen, met dien verstande dat: - zij een concept daarvan inclusief eventuele nadere producties uiterlijk op 12 november 2025 aan elkaar toesturen; - de definitieve nadere conclusies die op 26 november 2025 worden genomen bestaan uit een onderdeel dat gelijk is aan het eerder aan de wederpartij verzonden concept, inclusief eventuele producties, en een onderdeel waarin wordt gereageerd op het concept van de wederpartij en de daarbij eventueel gevoegde producties. Uit deze afspraak volgt dat het niet is toegestaan bij de definitieve nadere akte op 26 november 2025 producties te voegen die niet al waren gevoegd bij de concept conclusie die uiterlijk op 12 november 2025 aan de wederpartij is toegezonden. 2.2. Uit het voorgaande volgt dat Leeuwenbrug terecht bezwaar heeft gemaakt tegen overlegging door de gemeente van de producties 51 en 52. Deze producties worden dan ook geweigerd en maken geen deel uit van de processtukken, zoals de rechtbank reeds aan partijen heeft laten weten. 2.3. De gemeente heeft als productie 50 een “second opinion” overgelegd van het schade-expertisebureau [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) met betrekking tot het door Leeuwenbrug overgelegde schaderapport van Baker Tilly Corporate Finance (productie 30 bij de inleidende dagvaarding, hierna: Baker Tilly) en de actualisatie van dit schaderapport door [bedrijf 2] B.V. (productie 56 bij de conclusie vermindering van eis van 20 september 2025, hierna: [bedrijf 2] ). Deze “second opinion” is wél gevoegd bij de concept conclusie die de gemeente tijdig aan Leeuwenbrug heeft gezonden en de overlegging daarvan is dus – anders dan Leeuwenbrug, die in haar nadere conclusie bezwaar heeft gemaakt tegen overlegging van deze productie (nr. 7.47), heeft betoogd – niet in strijd met de gemaakte procesafspraak. Evenmin is de overlegging van deze productie in strijd met de goede procesorde. De omvang van de “second opinion” is beperkt (15 pagina’s), Leeuwenbrug heeft de gelegenheid gehad om daarop (al dan niet na raadpleging van de door haar ingeschakelde schade-expert) te reageren en heeft, zoals uit haar nadere conclusie blijkt, in ruime mate van die gelegenheid gebruik gemaakt. Het bezwaar van Leeuwenbrug tegen overlegging van productie 50 wordt dan ook verworpen. Eiswijziging 2.4. Leeuwenbrug heeft haar eis verminderd en vordert thans, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - voor recht verklaart dat de gemeente een onrechtmatige daad jegens haar heeft gepleegd; - primair: de gemeente veroordeelt aan Leeuwenbrug te betalen een bedrag van € 1.839.00,00 aan schadevergoeding, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 november 2021, althans 22 juni 2023, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening, althans: subsidiair: voor recht verklaart dat de gemeente Delft gehouden is schadevergoeding te betalen, nader op te maken bij staat; - de gemeente veroordeelt tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na het in deze zaak te wijzen vonnis. Causaal verband (condicio sine qua non-verband) tussen onrechtmatige daad en schade 2.5. Het gaat in deze zaak om een vordering van Leeuwenbrug tot vergoeding van (vertragings)schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van het feit dat de gemeente een omgevingsvergunning (het primaire besluit) heeft verleend waaraan een gebrek kleefde. Deze vergunning is in verband met dat gebrek op verzoek van Leeuwenbrug ingetrokken, waarna de gemeente op een nieuwe aanvraag van Leeuwenbrug alsnog een rechtmatige omgevingsvergunning heeft afgegeven. In het tussenvonnis is toegelicht dat en waarom het primaire besluit onrechtmatig is tegenover Leeuwenbrug en die onrechtmatigheid aan de gemeente kan worden toegerekend. De rechtbank volhardt in die beslissing en de overwegingen waarop zij berust. In een geval als dit moet het causale verband als bedoeld in artikel 6:162 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (het condicio sine qua non-verband) worden vastgesteld aan de hand van de maatstaf hoe het bestuursorgaan, hier de gemeente, zou hebben beslist of gehandeld indien het niet het onrechtmatige besluit had genomen. Bij deze beoordeling moet worden uitgegaan van het tijdstip waarop het onrechtmatige besluit is genomen. Dit betekent onder meer dat voor de beoordeling van het causale verband van belang is wanneer de gemeente een rechtmatige omgevingsvergunning zou hebben afgegeven in het hypothetische geval dat de gemeente op de eerste vergunningaanvraag van Leeuwenbrug de juiste (dat wil zeggen de uitgebreide in plaats van de reguliere) voorbereidingsprocedure had toegepast. Ook geldt dat als bepaalde door Leeuwenbrug gestelde schade eveneens zou zijn opgetreden indien de gemeente op de eerste vergunningaanvraag (met toepassing van de juiste voorbereidingsprocedure) een rechtmatige omgevingsvergunning had verleend, deze niet voor vergoeding in aanmerking komt. Causaal verband en toerekenbaarheid van de schade(omvang) 2.6. Als aan de hand van de in 2.5 bedoelde maatstaf wordt vastgesteld, dat een bepaalde door Leeuwenbrug gestelde schade niet zou zijn opgetreden, in het geval de gemeente de juiste voorbereidingsprocedure had gehanteerd en een rechtmatige omgevingsvergunning had verleend, moet nog worden beoordeeld of en in welke omvang die schade aan de gemeente kan worden toegerekend. Gelet op het bepaalde in artikel 6:98 lid 1 BW geldt immers dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Plan van behandeling 2.7. De rechtbank zal hierna eerst beoordelen op welke datum de gemeente een rechtmatige omgevingsvergunning zou hebben verleend in de hypothetische situatie dat op een daartoe strekkende aanvraag van Leeuwenbrug de juiste (uitgebreide) voorbereidingsprocedure zou zijn toegepast. Door deze datum, of preciezer, de datum waarop die vergunning onherroepelijk zou zijn geworden, te vergelijken met de datum waarop (op de nieuwe, tweede aanvraag van Leeuwenbrug) in werkelijkheid de rechtmatige omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden, kan, kort gezegd, de vertraging in de vergunningverlening worden vastgesteld. Hoe het in de hypothetische situatie precies zou zijn gegaan, kan de rechtbank uiteraard niet met zekerheid vaststellen: het komt aan op het meest aannemelijke (en niet het ideale of juist het meest ongunstige) scenario voor die situatie. Daarvan uitgaande zal de rechtbank vervolgens de verschillende schadeposten die Leeuwenbrug heeft gesteld beoordelen mede aan de hand van de (overige) in de nrs. 2.5 en 2.6 uiteengezette uitgangspunten. Vertraging in de vergunningverlening 2.8. Anders dan de gemeente heeft betoogd, dient bij de bepaling van de vertraging in de vergunningverlening het moment waarop de vergunning (op de nieuwe aanvraag) in werkelijkheid onherroepelijk is geworden, te worden vergeleken met het moment waarop in de hypothetische situatie de vergunning waarschijnlijk onherroepelijk zou zijn geworden. Dat is immers het moment waarop Leeuwenbrug met de bouw had kunnen starten zonder het risico te lopen dat de vergunning alsnog wordt vernietigd. In werkelijkheid is Leeuwenbrug ook pas (weer) gaan bouwen nadat de nieuwe vergunning onherroepelijk is geworden (en dus niet al op het moment dat die vergunning in werking is getreden). Dat Leeuwenbrug na verkrijging van de eerste, nadien ingetrokken omgevingsvergunning al met de bouw was aangevangen voordat deze vergunning onherroepelijk was, leidt niet tot een ander oordeel. Wanneer is de vergunning in werkelijkheid onherroepelijk geworden? 2.9. Op de nieuwe aanvraag van Leeuwenbrug van 31 mei 2022 is door B&W, nadat de uitgebreide voorbereidingsprocedure is doorlopen, op 22 november 2022, dus binnen 6 maanden na de aanvraag, een omgevingsvergunning afgegeven. De bekendmaking daarvan heeft plaatsgevonden op 23 november 2022. Omdat binnen de termijn van zes weken na bekendmaking geen beroep tegen de verlening van de vergunning is ingesteld, is deze op 4 januari 2023 onherroepelijk geworden. Dit betekent dat Leeuwenbrug zeven maanden en een week na de indiening van de aanvraag de beschikking had over een onherroepelijke omgevingsvergunning. Wanneer zou de vergunning in de hypothetische situatie onherroepelijk zijn geworden? 2.10. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag op welke datum Leeuwenbrug in de hypothetische situatie een vergunningaanvraag zou hebben ingediend. Onder toepasselijkheid van de uitgebreide voorbereidingsprocedure dient de aanvraag te zijn voorzien van een “goede ruimtelijke onderbouwing” als bedoeld in artikel 2.12 lid 1, onder a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Een dergelijke onderbouwing (met diverse onderzoeksrapporten, onder andere met betrekking tot stikstof, archeologie, bodem, water) is niet vereist bij een vergunningaanvraag waarbij de reguliere voorbereidingsprocedure wordt gevolgd, zoals in werkelijkheid bij de eerste aanvraag het geval is geweest. Leeuwenbrug stelt dat, de onrechtmatige daad van de gemeente weggedacht, de aanvraag met een goede ruimtelijke onderbouwing ook op 30 juli 2021 zou zijn ingediend, dus op dezelfde datum als die waarop de aanvraag is ingediend die (zonder bedoelde onderbouwing) tot het primaire besluit heeft geleid. Daartoe heeft Leeuwenbrug onder meer aangevoerd dat in het vooroverleg dat zij met de gemeente (vanaf 16 februari 2021) over haar bouwplannen heeft gevoerd, al zou zijn besproken dat de reguliere voorbereidingsprocedure zou worden toegepast. Zou nu vanwege de gemeente in dat vooroverleg reeds naar voren zijn gebracht, zoals de gemeente volgens Leeuwenbrug had behoren te doen, dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd moet worden, dan had Leeuwenbrug ervoor gezorgd dat alle benodigde onderzoeken en onderzoeksrapporten ten behoeve van de goede onderbouwing bij de aanvraag op 30 juli 2021 zouden zijn ingediend. Aldus Leeuwenbrug. 2.11. De gemeente stelt zich op het standpunt dat een complete aanvraag met onderbouwing in de hypothetische situatie veel later dan op 30 juli 2021 zou zijn ingediend, al dan niet nadat B&W na ontvangst van de aanvraag om die onderbouwing zou hebben gevraagd. Gelet op de tijd die ermee gemoeid is om een goede ruimtelijke onderbouwing te maken, zou volgens de gemeente de aanvraag met onderbouwing op zijn vroegst medio oktober 2021 zijn ingediend (maar waarschijnlijk later). Voorts betwist de gemeente dat tijdens het vooroverleg ter sprake is gekomen welke formele voorbereidingsprocedure zou moeten worden gevolgd. In dat verband wijst de gemeente erop dat van de kant van de gemeente bij dat vooroverleg geen jurist, maar een stedenbouwkundige was betrokken – er heeft toen geen juridische toets plaatsgevonden en Leeuwenbrug heeft voor wat betreft het antwoord op de vraag of de reguliere dan wel de uitgebreide voorbereidingsprocedure zou worden toegepast, aan het vooroverleg geen verwachtingen mogen ontlenen. Aldus de gemeente. 2.12. De rechtbank stelt voorop dat in het tussenvonnis is geoordeeld dat het besluit van B&W van 4 november 2021 om aan Leeuwenbrug een omgevingsvergunning te verlenen, in strijd met de wet is omdat daarbij de verkeerde voorbereidingsprocedure is gevolgd. De schade die Leeuwenbrug door dit onrechtmatige besluit heeft geleden, komt mogelijk voor vergoeding in aanmerking. Dat de gemeente voorafgaand aan het primaire besluit onrechtmatig heeft gehandeld in verband met toezeggingen die namens haar zouden zijn gedaan of verwachtingen die zouden zijn gewekt tijdens het vooroverleg, volgt niet uit het tussenvonnis en heeft Leeuwenbrug ook niet, althans niet voldoende gemotiveerd gesteld en onderbouwd, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de gemeente dat daarvan sprake zou zijn geweest. Het “wegdenken” van het onrechtmatig handelen van de gemeente in de hypothetische situatie betreft dus niet de (mondelinge) uitingen die door haar medewerker(

  1. s)tijdens of in verband met het vooroverleg zijn gedaan, maar in beginsel slechts het primaire besluit. Echter, zoals overwogen in nr. 3.3 van het tussenvonnis, is bij brief van 23 september 2021 namens B&W, zonder enig voorbehoud, aan Leeuwenbrug bericht dat haar “aanvraag wordt afgehandeld volgens de reguliere voorbereidingsprocedure”. Het primaire besluit van 4 november 2021 bouwt voort op deze (proces)beslissing van 23 september 2021 en de rechtbank acht ook deze (proces)beslissing om dezelfde redenen als die welke gelden voor het primaire besluit in strijd met de wet en daarom onrechtmatig. In het hypothetische geval dat de gemeente geen onrechtmatig besluit zou hebben genomen, zou de gemeente naar redelijkerwijs mag worden aangenomen op 23 september 2021 aan Leeuwenbrug hebben bericht dat haar aanvraag wordt afgehandeld volgens de uitgebreide voorbereidingsprocedure en hebben gevraagd om de vereiste goede ruimtelijke onderbouwing. Leeuwenbrug heeft gemotiveerd gesteld dat zij en haar adviseurs in staat waren om binnen een maand een goede ruimtelijke onderbouwing aan te leveren. In dit verband heeft zij aangevoerd (spreekaantekeningen nr. 3.13) dat zij die onderbouwing in werkelijkheid (in verband met de nieuwe aanvraag) ook binnen een maand heeft gerealiseerd. Gezien dit alles acht de rechtbank aannemelijk dat Leeuwenbrug in de hypothetische situatie een complete aanvraag met een goede ruimtelijke onderbouwing zou hebben ingediend op (vrijdag) 22 oktober 2021. 2.13. Vervolgens moet worden beoordeeld wanneer B&W in de hypothetische situatie een omgevingsvergunning zou hebben afgegeven, uitgaande van een op 22 oktober 2021 ingediende aanvraag en na het doorlopen van de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Ook moet worden beoordeeld wanneer die vergunning onherroepelijk zou zijn geworden. 2.14. De gemeente heeft in dit verband het volgende aangevoerd. Gelet op de (ongelukkige) gang van zaken bij de eerste aanvraag die tot intrekking van het primaire besluit heeft geleid, heeft zij zich tot het uiterste ingespannen om de uitgebreide voorbereidingsprocedure, die is toegepast op de nieuwe vergunningsaanvraag, zo spoedig mogelijk te laten verlopen. De behandeling van deze aanvraag heeft volgens de gemeente in afwijking van de normale gang van zaken ambtelijke en politiek/bestuurlijke prioriteit gekregen. Dit blijkt onder meer uit het feit dat het bouwplan snel geagendeerd is voor de vergadering van de Commissie Ruimte en Verkeer. Ook het amendement dat de gemeenteraad op 22 september 2022 op voorstel van B&W heeft aangenomen, waardoor een procedurestap kon worden overgeslagen, zoals toegelicht in nr. 3.14 van het tussenvonnis, moet volgens de gemeente in dit licht worden begrepen. Die specifieke aandacht die tot een snellere behandeling heeft geleid van de tweede aanvraag, zou de aanvraag in de hypothetische situatie niet ten deel zijn gevallen. Bovendien heeft Leeuwenbrug in verband met de tweede aanvraag niet opnieuw met de omwonenden en bezwaarmakers in overleg behoeven te treden, omdat zij dit in het kader van de eerste vergunningaanvraag reeds had gedaan en met hen tot overeenstemming was gekomen (wat tot enkele aanpassingen van het bouwplan heeft geleid). In de hypothetische situatie had Leeuwenbrug dit overleg nog moeten voeren om te voorkomen dat omwonenden gedurende de uitgebreide voorbereidingsprocedure een zienswijze zouden hebben ingediend en/of tegen de verleende vergunning in beroep zouden zijn gegaan. Ten slotte is van belang dat B&W met gebruikmaking van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 6 lid 2 van de Wabo heeft bepaald dat de vergunning die op de tweede aanvraag is verleend terstond na de bekendmaking in werking is getreden. Het is niet aannemelijk dat B&W dat ook hadden bepaald met betrekking tot de inwerkingtreding van de vergunning die in de hypothetische situatie zou zijn verleend. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat de in die situatie verleende vergunning pas na zes weken in werking zou zijn getreden (op de voet van artikel 6 lid 1 Wabo). Aldus, steeds, de gemeente. 2.15. Volgens de gemeente is, gelet op de in nr. 2.14 genoemde omstandigheden, de tijd die in werkelijkheid is verstreken tussen het moment waarop de nieuwe aanvraag is ingediend (31 mei 2022) en het moment waarop de vergunning is verleend (22 november 2022) en onherroepelijk is geworden (4 januari 2023) niet maatgevend voor de tijd die in de hypothetische situatie zou zijn verstreken vanaf de indiening van de aanvraag tot aan het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning. De doorlooptijd die vanaf de nieuwe aanvraag van Leeuwenbrug is gerealiseerd zou veel sneller dan gemiddeld zijn. De gemeente heeft, onder verwijzing naar tien bouwprojecten waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd (in de periode 2013-2022) en waarop de uitgebreide voorbereidingsprocedure is toegepast, gesteld dat de gemiddelde doorlooptijd tot aan de verlening van de vergunningen ruim 30 maanden bedraagt, althans (met weglating van één uitschieter van 96 maanden) 23 maanden. Dit brengt de gemeente in haar nadere conclusie tot haar standpunt primair dat Leeuwenbrug zelfs eerder de beschikking heeft gekregen over een onherroepelijke omgevingsvergunning dan het geval zou zijn geweest als de gemeente niet eerst de verkeerde voorbereidingsprocedure had gehanteerd, althans subsidiair dat Leeuwenbrug hooguit enkele maanden later dan wanneer meteen de juiste voorbereidingsprocedure zou zijn toegepast een onherroepelijke omgevingsvergunning heeft verkregen. 2.16. Volgens Leeuwenbrug heeft de gemeente geen bijzondere prioriteit gegeven aan de behandeling van de nieuwe aanvraag tot een omgevingsvergunning. Het gegeven dat die vergunning binnen zes maanden na de aanvraag is verleend, is volgens haar dus wel degelijk richtinggevend voor de doorlooptijd in de hypothetische situatie. Bovendien sluit die doorlooptijd aan bij de wettelijke beslistermijn van 26 weken na de aanvraag. Leeuwenbrug betwist dat de gemiddelde doorlooptijd van een vergunningaanvraag waarop de uitgebreide voorbereidingsprocedure wordt toegepast bij de gemeente 30 dan wel 23 maanden bedraagt. Volgens haar zijn de tien bouwprojecten waarop de gemeente die doorlooptijd baseert niet representatief en bovendien niet relevant voor de beantwoording van de vraag hoe lang de doorlooptijd zou zijn geweest als de gemeente op de aanvraag van Leeuwenburg meteen de juiste voorbereidingsprocedure had toegepast. 2.17. Zoals de rechtbank in nr. 2.12 heeft overwogen, is aannemelijk dat Leeuwenbrug in de hypothetische situatie op 22 oktober 2021 een complete aanvraag met een goede ruimtelijke onderbouwing zou hebben ingediend. Met Leeuwenbrug neemt de rechtbank aan dat de gemeente die aanvraag binnen de daarvoor destijds geldende wettelijke beslistermijnen zou hebben behandeld. Dat de gemeente uit de periode 2013-2022 een tiental gevallen heeft geselecteerd met een veel langere, gemiddelde doorlooptijd, is voor de rechtbank geen aanleiding om die langere doorlooptijd ook toe te passen op de aanvraag die Leeuwenbrug in de hypothetische situatie zou hebben ingediend. Op grond van de Wabo had de wettelijke beslistermijn van 26 weken door B&W eenmaal met zes weken kunnen worden verlengd. Ook op verzoek van de aanvrager, Leeuwenbrug, had B&W de termijn kunnen opschorten, bijvoorbeeld om haar in de gelegenheid te stellen aanpassingen in het bouwplan door te voeren. De rechtbank acht het waarschijnlijk dat dit zou zijn gebeurd, onder meer gelet op het overleg dat Leeuwenbrug voorafgaand aan het primaire besluit ook in werkelijkheid met omwonenden en belanghebbenden heeft gevoerd en het feit dat dit overleg tot enkele aanpassingen van het plan heeft geleid. Leeuwenbrug zou daar ook in de hypothetische situatie belang bij hebben gehad om aldus te voorkomen dat zienswijzen zouden zijn ingediend en/of beroep tegen de omgevingsvergunning zou zijn ingesteld. De rechtbank gaat er dan ook enerzijds van uit dat in de hypothetische situatie de beslistermijn van 26 weken met zes weken zou zijn verlengd, maar anderzijds dat geen zienswijzen zouden zijn ingediend en ook geen beroep zou zijn aangetekend tegen de aan Leeuwenbrug verleende omgevingsvergunning. Dit leidt tot het volgende: - indiening complete aanvraag: 22 oktober 2021; - beschikking tot verlening omgevingsvergunning en bekendmaking daarvan (26 + 6 weken later =): 3 juni 2022; - omgevingsvergunning onherroepelijk per 15 juli 2022. 2.18. Omdat Leeuwenbrug in werkelijkheid pas op 4 januari 2023 de beschikking heeft gekregen over een onherroepelijke omgevingsvergunning, bedraagt de vertraging in de vergunningverlening 5 maanden en 20 dagen (ofwel 173 dagen). Zoals aangekondigd zal de rechtbank thans mede op basis van dit gegeven de verschillende door Leeuwenbrug gestelde schadeposten beoordelen. Misgelopen inkomsten 2.19. Leeuwenbrug stelt dat zij een jaar aan inkomsten heeft gederfd als gevolg van de onrechtmatige daad van de gemeente. Die inkomstenderving heeft zij berekend op basis van de (beredeneerde) omzet van het short stay hotel in een normaal jaar, te weten € 1.342.000,00, verminderd met een bedrag van € 648.000.00 aan kosten, wat leidt tot een bedrag aan gederfde inkomsten van € 694.000,00. Volgens de gemeente heeft Leeuwenbrug niet aangetoond dat de exploitatie van het hotel als gevolg van het onrechtmatige besluit een jaar later is gestart en dat de inkomensschade die Leeuwenbrug vordert (volledig) daadwerkelijk geleden is en aan haar kan worden toegerekend. 2.20. In het rapport van Baker Tilly, waarnaar Leeuwenbrug verwijst voor de onderbouwing van de door haar gevorderde schade, wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de opening van het hotel volgens de oorspronkelijke planning zou plaatsvinden op 1 juli 2023, maar dat de opening als gevolg van het onrechtmatige besluit van de gemeente in werkelijkheid pas (naar verwachting) op 1 juli 2024 zal plaatsvinden – een jaar later. Maar in afwijking daarvan geeft Leeuwenbrug in diverse processtukken een andere onderbouwing, zoals: “In de hypothetische situatie zou de bouw gestart zijn op 21 maart 2022, althans op 10 april 2022 en in de feitelijke situatie is de bouw gestart op 17 april 2023. Tegen deze achtergrond stelt Leeuwenbrug de duur van de vertraging op 1 jaar” (spreekaantekeningen, nr. 3.19), en “Leeuwenbrug heeft steeds de hervatting van de bouw op 17 april 2023 als einde van de vertragingsduur als uitgangspunt genomen” (nadere conclusie nr. 4.47). Daarnaast noemt Leeuwenbrug als “veel logischer scenario” (dan het door de gemeente bepleite scenario): “een scenario waarbij voor de causaliteitsvraag de duur van de vertraging wordt berekend aan de hand van de tijd die daadwerkelijk is verstreken tussen de intrekking van de eerste vergunning op 2 mei 2022 (bedoeld zal zijn: 6 mei 2022, rechtbank) en de hervatting van de bouw op 17 april 2023. In dit geval is eveneens op 2 weken na sprake van een vertraging van één jaar” (nadere conclusie nr. 4.45). 2.21. De rechtbank is van oordeel dat Leeuwenbrug niet heeft aangetoond dat de opening van het hotel als gevolg van het onrechtmatige besluit met een jaar is vertraagd en dat die vertraging volledig aan de gemeente kan worden toegerekend. Zoals hiervoor is overwogen, moet ervan worden uitgegaan dat Leeuwenbrug in de hypothetische situatie op 15 juli 2022 een onherroepelijke omgevingsvergunning zou hebben verkregen. Verder geldt als uitgangspunt – dat ook door Leeuwenbrug wordt gehanteerd – dat Leeuwenbrug pas na het verkrijgen van een onherroepelijke omgevingsvergunning met de bouw zou zijn gestart. Hieruit volgt dat de aanname van Leeuwenbrug dat op 21 maart 2022, althans op 10 april 2022 met de bouw zou zijn aangevangen, niet kan worden gevolgd. De rechtbank acht het evenmin juist om de duur van de vertraging te bepalen mede aan de hand van het moment waarop de bouw van het hotel in werkelijkheid is hervat. Leeuwenbrug heeft reeds op 20 april 2022 een bouwstop afgekondigd en op 2 mei 2022 aan B&W verzocht om de eerste vergunning in te trekken en wist dus al geruime tijd dat de oorspronkelijke bouwplanning moest worden aangepast. Tegen die achtergrond valt niet in te zien waarom het, nadat de nieuwe omgevingsvergunning op 4 januari 2023 onherroepelijk is geworden, tot 17 april 2023 heeft geduurd voordat weer met de bouw is begonnen én waarom de tijd die verloren is gegaan doordat de bouw niet kort na 4 januari 2023 is hervat, voor rekening van de gemeente zou moeten komen. 2.22. De rechtbank acht wel aannemelijk dat de opening van het hotel is vertraagd met de tijd die verloren is gegaan als gevolg van het feit dat Leeuwenbrug pas op 4 januari 2023 over een onherroepelijke omgevingsvergunning kon beschikken in plaats van op 15 juli 2022, de datum waarop Leeuwenburg daarover zou hebben beschikt indien de gemeente geen onrechtmatig besluit zou hebben genomen en de juiste voorbereidingsprocedure zou hebben gehanteerd. Die vertraging bedraagt, zoals hiervoor uiteengezet, 173 dagen. Het verlies aan inkomsten over die periode is aan te merken als schade die voortvloeit uit de fout die de gemeente heeft gemaakt en die in redelijkheid ook aan haar worden toegerekend. 2.23. Voor wat betreft de hoogte van de omzet en de kosten is Leeuwenbrug uitgegaan van de beredeneerde schatting van Baker Tilly. Vervolgens heeft [bedrijf 2] , die de administratie voor Leeuwenbrug voert, de aangiften verzorgt, de jaarrekeningen opstelt en meer in het algemeen als fiscaal en financieel adviseur voor Leeuwenbrug diensten verleent, deze schatting geactualiseerd en vergeleken met de daadwerkelijke omzetten en kosten van het hotel voor zover die inmiddels beschikbaar zijn. [bedrijf 2] heeft in haar rapport (productie 56) de omzetcijfers waarvan Baker Tilly is uitgegaan, bevestigd, maar de raming van de kosten naar boven bijgesteld, met als resultaat het in nr. 2.19 genoemde bedrag van € 694.000,00 aan inkomstenderving. Daarbij hebben zowel Baker Tilly als [bedrijf 2] een “normaal jaar” tot uitgangspunt genomen, in tegenstelling tot het opstartjaar, waarvan de omzetten (onder meer omdat het hotel nog naamsbekendheid e.d. moet verwerven) altijd wat minder zijn. [bedrijf 2] heeft de beredeneerde jaaromzet van € 1.342.000,00 ook nog ter toetsing voorgelegd aan BizStay B.V., het organisatieplatform dat het beheer voert over BizStay-hotels waartoe ook het hotel van Leeuwenbrug behoort. BizStay B.V. heeft op basis van de beschikbare cijfers “en onze ervaring met de exploitatie van 182 short stay hotelappartementen in de regio” bevestigd “dat wij een omzetprognose van ongeveer € 1.342.000,00 voor BizStay Delft realistisch achten, mits sprake is van een volledig en stabiel exploitatiejaar zonder opstartfactoren” (bijlage 15 bij het rapport van [bedrijf 2] ). 2.24. Volgens de gemeente moet worden uitgegaan van de lagere omzetgegevens van het opstartjaar, omdat ook in de hypothetische situatie, zonder vertraging, van een opstartfase met mindere resultaten sprake zou zijn geweest. Dit betoog faalt, zoals met het volgende eenvoudige rekenvoorbeeld kan worden toegelicht. Scenario 1 is het werkelijke scenario, waarin de opstartfase een tijdvak later plaatsvindt dan in Scenario 2. In de opstartfase is de omzet 25, in de (normale) fases daarna is de omzet 50. Schematisch kan dit als volgt worden weergegeven: Tijdvak Scenario 1 Scenario 2 1 0 25 2 25 50 3 50 50 Totaal 75 125 Na verloop van twee of meer tijdvakken, blijft de totale omzet in scenario 1 50 (en niet 25) lager dan in scenario 2 (het hypothetische scenario, zonder vertraging). Daarom dient voor de schadeberekening te worden uitgegaan van de omzet in een normaal jaar (in het voorbeeld 50). Overigens is de door de gemeente ingeschakelde expert [bedrijf 1] het daar kennelijk mee eens. 2.25. Voor het overige heeft de gemeente de met bescheiden onderbouwde stellingen van Leeuwenbrug inzake de inkomstenderving niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank verder uitgaat van de juistheid daarvan. Dit leidt tot de slotsom dat de schade voor wat betreft de inkomstenderving wordt begroot op € 694.000,00 x 173/365 = € 328.936,99. Hogere kosten 2.26. Onder deze noemer heeft Leeuwenbrug vergoeding van een viertal schadeposten gevorderd: aannemingsovereenkomst (hogere aanneemsom door prijsstijgingen), bouwstop, interieur en overige hogere bouwkosten. De rechtbank zal deze schadeposten stuk voor stuk beoordelen. Aannemingsovereenkomst (hogere aanneemsom door prijsstijgingen) 2.27. Leeuwenbrug heeft op 8 februari 2022 een aannemingsovereenkomst gesloten met [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ). Inclusief nadien overeengekomen meer- en minderwerk bedroeg de aanneemsom € 5.837.000,00. Zoals nader beschreven in het tussenvonnis heeft Leeuwenbrug in verband met het feit dat het steeds duidelijker werd dat er een reëel risico bestond dat de verleende omgevingsvergunning zou worden vernietigd, op of omstreeks 18 april 2022 een bouwstop afgekondigd. Voor de werkzaamheden die [bedrijf 4] tot dan toe had verricht, heeft Leeuwenbrug € 544.000,- betaald (exclusief de kosten verbonden aan de bouwstop). Vervolgens bleek dat Leeuwenbrug met [bedrijf 4] geen overeenstemming kon bereiken over de voorwaarden waaronder de bouw hervat zou moeten worden. Volgens Leeuwenbrug werden de onderhandelingen daarover in september 2022 gestaakt met name omdat de door [bedrijf 4] gevraagde loonkosten extreem hoog waren. Uiteindelijk heeft Leeuwenbrug op 19 april 2023 een nieuwe aannemingsovereenkomst gesloten met [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ) om de bouw te voltooien voor een aanneemsom van € 5.900.000,00. Leeuwenbrug stelt tegen deze achtergrond dat zij als gevolg van het onrechtmatige besluit van de gemeente een nieuwe aannemingsovereenkomst met een andere aannemer heeft moeten sluiten tegen een (voor het resterende werk) hogere aanneemsom. Die hogere aanneemsom, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van Leeuwenbrug, is aan te merken als vertragingsschade omdat de bouwkosten (inclusief loonkosten) in de desbetreffende periode zijn gestegen. Die schade bedraagt volgens Leeuwenbrug het verschil tussen het bedrag dat zij aan [bedrijf 4] had moeten betalen voor het resterende werk volgens de oorspronkelijke aannemingsovereenkomst (5.837.000,00 minus 544.000,00 =) € 5.293.000,00 en het bedrag van € 5.900.000,00 dat zij aan [bedrijf 3] heeft betaald voor het voltooien van het werk, derhalve € 607.000,00. 2.28. De gemeente heeft als verweer gevoerd dat Leeuwenbrug helemaal geen bouwstop had hoeven af te kondigen en de bouw door [bedrijf 4] onder de oorspronkelijke aannemingsovereenkomst had moeten laten voltooien, omdat zij er van uit had moeten gaan dat het uiteindelijk allemaal wel goed zou komen met een omgevingsvergunning voor het project. Bovendien zou de gemeente, ook al zou de (gebrekkige) omgevingsvergunning zijn vernietigd, niet handhavend hebben opgetreden (de bouw niet hebben stilgelegd) in de periode tussen die vernietiging en het afgeven van een nieuwe, rechtmatige omgevingsvergunning. De rechtbank verwerpt dit verweer. Zoals de rechtbank in het tussenvonnis heeft overwogen (zie nr. 3.5 en nr. 3.11 van dat vonnis) heeft de gemeente Leeuwenbrug er destijds bij herhaling op gewezen dat zolang de omgevingsvergunning niet onherroepelijk is, bouwen op eigen risico plaatsvindt. Het geeft dan geen pas om achteraf aan te voeren dat Leeuwenbrug toch had moeten (door)bouwen. Bovendien was het op het moment dat Leeuwenbrug tot de bouwstop besloot, allerminst zeker dat en op welke termijn een rechtmatige omgevingsvergunning zou worden verleend. Van Leeuwenbrug kon bovendien niet worden verlangd dat zij er maar van moest uitgaan dat de gemeente niet handhavend zou hebben opgetreden (de gemeente heeft dat toen ook niet toegezegd). Daar komt nog bij dat, zelfs als de gemeente niet handhavend zou hebben opgetreden, de (voorzieningen)rechter op vordering van derde-belanghebbenden stillegging van de bouwwerkzaamheden had kunnen bevelen indien de omgevingsvergunning naar zijn of haar (voorlopig) oordeel onrechtmatig was. 2.29. Tussen partijen is niet in geschil dat de werkzaamheden die volgens beide aannemingsovereenkomsten (nog) moesten worden verricht, nagenoeg hetzelfde waren. De gemeente heeft nog aangevoerd dat [bedrijf 3] (waarschijnlijk) extra kosten in rekening heeft gebracht omdat zij het werk van een andere aannemer heeft moeten voltooien en in verband daarmee risico’s liep die zij niet in de hand had. Leeuwenbrug heeft in reactie daarop een verklaring van [bedrijf 3] in het geding gebracht waaruit volgt dat zij geen opslag (“voor herstel- en/of faalkosten”) in rekening heeft gebracht omdat in de aannemingsovereenkomst door het bedrijf een uitsluiting van aansprakelijkheid is bedongen voor het werk dat door derden is verricht. Hierop is door de gemeente niet meer gereageerd, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat ter zake door [bedrijf 3] geen extra kosten in rekening zijn gebracht. 2.30. De gemeente heeft echter terecht naar voren gebracht dat een berekening van de kostenstijging uitsluitend gebaseerd op een vergelijking van de aanneemsommen, zoals weergegeven in nr. 2.27, niet (volledig) klopt. Daarvoor moet immers een vergelijking worden gemaakt tussen de aannemingsovereenkomst die Leeuwenbrug zou hebben gesloten in de hypothetische situatie en de met [bedrijf 3] in werkelijkheid gesloten aannemingsovereenkomst. De kostenstijging moet dus over een kortere periode berekend worden dan de periode van ruim 14 maanden die in werkelijkheid is gelegen tussen het afsluiten van beide aannemingsovereenkomsten (op 8 februari 2022 respectievelijk 19 april 2023). Zoals hiervoor overwogen zou Leeuwenbrug in de hypothetische situatie op 15 juli 2022 een onherroepelijke omgevingsvergunning hebben verkregen. De rechtbank acht aannemelijk dat Leeuwenbrug spoedig daarna (want het ligt in de rede dat de onderhandelingen daarover al in een ver gevorderd stadium zouden zijn geweest) een aannemingsovereenkomst zou hebben gesloten. Dat zou dus ongeveer negen maanden eerder zijn geweest dan de datum waarop de aannemingsovereenkomst met [bedrijf 3] in werkelijkheid is gesloten (19 april 2023). Van die periode van negen maanden zijn (vijf maanden en 20 dagen, is afgerond) zes maanden toe te rekenen aan de vertraging in de vergunningverlening als gevolg van de door de gemeente gemaakte fout (zie nr. 2.18). De vertragingsschade moet dus worden bepaald op basis van de kostenstijging die zich heeft voorgedaan vanaf (kort
  2. na)15 juli 2022 tot (kort
  3. na)15 februari 2023 (zes maanden later). Omdat de omvang van deze aan de gemeente toe te rekenen schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, schat de rechtbank deze op 6/14 van het gevorderde bedrag van € 607.000,00, is € 260.142,86, wat ongeveer neerkomt op een stijging van 4,92% ten opzichte van de in nr. 2.27 genoemde resterende aanneemsom van € 5.293.000,00. Bouwstop 2.31. Leeuwenbrug vordert in verband met de door haar op 18 april 2022 afgekondigde bouwstop de volgende bedragen: (
  4. a)€ 39.000,00; dit is het bedrag dat [bedrijf 4] aan haar in rekening heeft gebracht voor wind- en waterdicht maken van het bouwterrein; (
  5. b)€ 58.000,00; dit is volgens Leeuwenbrug het bedrag dat zij aan [bedrijf 4] heeft betaald op basis van een tussen hen overeengekomen schikking inzake kosten die [bedrijf 4] in verband met de bouwstop van Leeuwenbrug zou hebben geclaimd. Het gaat dus in totaal om een bedrag van € 97.000,00. 2.32. In het algemeen geldt dat de vergunninghouder die met bouwen begint voordat de omgevingsvergunning onherroepelijk is, de gemeente naderhand niet kan aanspreken op vergoeding van de schade die verband houdt met de reeds verrichte werkzaamheden, indien de omgevingsvergunning op bezwaar of beroep van een derde wordt vernietigd (waarmee gelijkgesteld kan worden de intrekking van een vergunning onder de omstandigheden die de rechtbank in deze zaak heeft vastgesteld). In een zodanig geval wordt (uitzonderingen die in deze zaak niet spelen daargelaten) aangenomen dat de schade volledig aan de vergunninghouder kan worden toegerekend (eigen schuld). Het starten met de bouw voordat de omgevingsvergunning onherroepelijk is, komt dan voor eigen risico. Toen Leeuwenbrug op 8 februari 2022 de aannemingsovereenkomst sloot en aanving met de bouwwerkzaamheden, beschikte zij nog niet over een onherroepelijke omgevingsvergunning. Bovendien wist Leeuwenbrug op dat moment al, onder meer uit het videogesprek met de juridisch adviseur van de gemeente dat plaatsvond op 31 januari 2022 (zie nr. 3.6 van het tussenvonnis), dat er bezwaren waren ingediend tegen de omgevingsvergunning en dat volgens die adviseur de gemeente een procedurefout had gemaakt die meebracht dat de vergunning niet in stand zou blijven. Daar komt nog bij, zoals hierboven al is overwogen, dat de gemeente Leeuwenbrug steeds heeft gewaarschuwd dat bouwen voordat de omgevingsvergunning onherroepelijk werd, op eigen risico zou geschieden. De hierboven onder (
  6. a)genoemde schadepost zou niet zijn ontstaan, als Leeuwenbrug niet alvast vóór het verkrijgen van een onherroepelijke omgevingsvergunning was gestart met de bouwwerkzaamheden. Die schade komt dus voor haar eigen risico. Het spreekt immers voor zichzelf dat als er (nog) geen bouwterrein zou zijn geweest, dit ook niet wind- en waterdicht gemaakt had hoeven te worden. Voor zover de vordering is gebaseerd op de post (
  7. a)wordt zij dan ook afgewezen. Hetzelfde geldt met betrekking tot de onder (
  8. b)genoemde schadepost, en wel om de volgende redenen. In de nrs. 5.28 en 5.29 van de nadere conclusie zet Leeuwenbrug uitvoerig uiteen dat in de aannemingsovereenkomst met [bedrijf 4] een voorwaarde is opgenomen die erop neerkomt dat Leeuwenbrug de overeenkomst eenzijdig kan beëindigen zolang de omgevingsvergunning niet definitief is toegekend of onherroepelijk is geworden. Zonder nadere onderbouwing of toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom Leeuwenbrug dan toch een schikkingsbedrag in verband met de bouwstop aan [bedrijf 4] heeft betaald en waarom de gemeente gehouden zou zijn dit bedrag te vergoeden als aan haar toe te rekenen schade als gevolg van het onrechtmatige besluit. Het had op de weg van Leeuwenbrug gelegen daarvoor een deugdelijke onderbouwing of toelichting te geven, maar dat heeft zij nagelaten. Bovendien geldt ook hier dat als Leeuwenbrug niet was gaan bouwen voordat zij over een onherroepelijke omgevingsvergunning beschikte, er ook geen bouwstop zou zijn afgekondigd en daarover dus ook geen schikking getroffen had behoeven te worden. De “bouwen op eigen risico-regel” geldt ook voor de onder (
  9. b)gevorderde schadepost. Het onder de noemer “bouwstop” gevorderde wordt dus volledig afgewezen. Stijging interieurkosten 2.33. Deze schadepost heeft betrekking op de stijging van de prijzen van het interieur als gevolg van de vertraging in de bouw die is opgetreden in verband met de verlening door de gemeente van de onrechtmatige omgevingsvergunning. Omdat een groot deel van het interieur niet is besteld bij de opdrachtnemers aan wie Leeuwenbrug aanvankelijk offertes had aangevraagd (volgens Leeuwenbrug was sprake van enorme prijsstijgingen ten opzichte van de oorspronkelijke offertes en is in verband daarmee gezocht naar minder dure oplossingen) en ook omdat de uiteindelijke productspecificaties afwijken van die vermeld in de oorspronkelijke offertes, is het volgens het rapport van [bedrijf 2] , waarnaar Leeuwenbrug ter zake verwijst, ondoenlijk om een vergelijking te maken tussen de begroting op basis van de oorspronkelijke offertes en de werkelijke uitgaven die blijken uit de administratie. In plaats daarvan heeft Leeuwenbrug/ [bedrijf 2] gekozen voor een alternatieve, meer praktische onderbouwing van deze schadepost: zij heeft alle uitgaven aan het interieur in 2023 (€ 429.568,00) en 2024 (€ 843.010,00) bij elkaar opgeteld en aangenomen dat de som van deze bedragen, € 1.272.578,00, 11,5% hoger is dan het geval zou zijn geweest zonder vertraging als gevolg van het onrechtmatige besluit. Zij stelt dat de aldus berekende prijsstijging de schade is. Het percentage van 11,5% is het gemiddelde van diverse gepubliceerde prijsindexcijfers en inflatiecijfers ten opzichte van 2022. Aldus komt Leeuwenbrug/ [bedrijf 2] uit op (€ 1.272.578,00 gedeeld door 111.5% en vermenigvuldigd met 11,5% =) een bedrag van € 131.262,00. 2.34. De gemeente kan zich in beginsel vinden in de praktische benadering waarbij voor de bepaling van de prijsstijging van de interieurkosten wordt gerekend met een gemiddeld percentage aan prijsstijging in de relevante periode. Maar zij gaat daarbij uit van een gemiddeld percentage prijsstijging over een veel kortere periode. Meer bepaald stelt de gemeente zich (onder verwijzing naar het rapport van [bedrijf 1] ) op het standpunt dat de investeringen in het interieur die in 2023 en 2024 zijn gedaan moeten worden teruggerekend naar het prijspeil van september 2022, en dat vervolgens de prijsstijging vanaf dat moment naar december 2022 de schade is die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen. Hierbij is de gemeente/ [bedrijf 1] er dus van uitgegaan dat de aan de gemeente toe te rekenen vertraging beperkt is tot (hooguit) drie maanden (september 2022 – december 2022). Aldus komt de gemeente/ [bedrijf 1] uit op een schade van (waarde investeringen in december 2022: € 1.194.048,00 minus waarde investeringen in september 2022: € 1.164.312 =) € 29.736,00. 2.35. De rechtbank heeft in nr. 2.17 en nr. 2.18 overwogen dat in de hypothetische situatie (het onrechtmatige besluit weggedacht) Leeuwenbrug over een onherroepelijke omgevingsvergunning zou hebben beschikt op 15 juli 2022. Omdat zij in werkelijkheid pas op 4 januari 2023 over een zodanige vergunning de beschikking kreeg, bedraagt de vertraging in de vergunningverlening 5 maanden en 20 dagen (ofwel 173 dagen). De rechtbank gaat er op die grond van uit dat Leeuwenbrug de interieurbestellingen gemiddeld genomen ook 173 dagen later heeft gedaan dan zij zou hebben gedaan als zij op 15 juli 2022 over een onherroepelijke omgevingsvergunning had beschikt en de bouwwerkzaamheden aansluitend had kunnen hervatten. Leeuwenbrug veronderstelt in haar berekening dat in de hypothetische situatie al het interieur besteld had kunnen worden tegen de in 2022 geldende prijzen, zodat de gemiddelde prijsstijging over 2023 en 2024 als schade heeft te gelden. Die aanname acht de rechtbank niet juist, omdat Leeuwenbrug niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de hypothetische situatie al het interieur voor de in 2022 geldende prijzen had kunnen bestellen terwijl de levering daarvan pas na voltooiing van de bouw (één tot anderhalf jaar na 15 juli 2022) zou hebben plaatsgevonden. Anderzijds is de aanname van de gemeente dat alleen de gemiddelde prijsstijging van september tot december 2022 bepalend is, onjuist, omdat deze uitgaat van een te beperkte periode van drie maanden. De rechtbank constateert dat de schade op basis van de door partijen verstrekte gegevens niet nauwkeurig te begroten is, en voorts dat beide partijen de voorkeur hebben uitgesproken voor een praktische benadering waarbij niet alle oorspronkelijke offertes en werkelijke uitgaven op prijs en productspecificaties vergeleken behoeven te worden. De rechtbank zal daarom de (vertragings)schade schatten, en wel op € 80.000,00, welk bedrag ongeveer het gemiddelde bedraagt van de bedragen die partijen hebben berekend. Stijging overige bouwkosten 2.36. Het gaat hier om kosten van onder meer terreininrichting, zonnepanelen, verlichting en andere kosten die niet zijn inbegrepen in de aanneemsom en evenmin zijn aan te merken als interieurkosten. Op basis van dezelfde uitgangspunten en aannames als ten aanzien van de interieurkosten begroot Leeuwenbrug/ [bedrijf 2] de prijsstijging voor deze posten op € 57.810,00 en komt de gemeente/ [bedrijf 1] uit op € 12.966,00. De rechtbank schat deze (vertragings)schade op € 35.000,00 (ongeveer het gemiddelde van de bedragen die partijen hebben berekend). Extra diensten 2.37. Onder extra diensten verstaat Leeuwenbrug diensten die in de hypothetische situatie niet door haar zouden zijn afgenomen, maar waarvoor zij in werkelijkheid wel opdracht heeft gegeven. De kosten die zij daarvoor heeft gemaakt, beschouwt Leeuwenbrug als schade waarvoor de gemeente aansprakelijk is omdat die schade is veroorzaakt door de fout van de gemeente en aan de gemeente is toe te rekenen. De rechtbank zal deze posten afzonderlijk beoordelen. Vergunningprocedure 2.38. De door Leeuwenbrug ingeschakelde architect [naam 1] heeft voor alle werkzaamheden die hij voor het project heeft verricht in totaal een bedrag van € 47.897,58 in rekening gebracht. In een e-mailbericht aan Leeuwenbrug van 27 maart 2023 heeft de architect gespecificeerd dat van dit in totaal gefactureerde bedrag een bedrag van € 20.356,48 betrekking heeft op de werkzaamheden die hij voor de eerste omgevingsvergunningaanvraag heeft verricht. Anders dan de gemeente heeft betoogd, is deze schadepost daarmee voldoende onderbouwd. Dat op de overgelegde facturen met de nummers 23001 en 23002 werkzaamheden staan vermeld die geen betrekking hebben op de eerste aanvraag voor een omgevingsvergunning en dus niet aan de gemeente zijn toe te rekenen, zoals de gemeente heeft opgemerkt, leidt niet tot een ander oordeel. De gemeente heeft immers niet toegelicht dat en waarom daaruit zou volgen dat de architect die werkzaamheden in het bedrag van € 20.356,48 heeft begrepen. De rechtbank gaat om die reden verder aan dit niet nader toegelichte verweer voorbij. De vordering die Leeuwenbrug heeft beperkt tot € 20.000,00 zal dan ook worden toegewezen. Subsidieaanvraag 2.39. Leeuwenbrug heeft voor ondersteuning bij het aanvragen van subsidie (Milieu Investeringsaftrek) M3E Subsidie Advies B.V. (hierna: M3E) ingehuurd. M3E heeft naar de rechtbank begrijpt op basis van de met [bedrijf 4] gesloten aannemingsovereenkomst voor Leeuwenbrug een subsidieaanvraag opgesteld en daarvoor een bedrag van € 4.400,00 in rekening gebracht. In verband met de intrekking van de eerste omgevingsvergunning en de daaropvolgende beëindiging van de samenwerking met [bedrijf 4] is de subsidieaanvraag ingetrokken, waarna M3E een nieuwe subsidieaanvraag voor Leeuwenbrug heeft opgesteld nadat de nieuwe omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden. Leeuwenbrug vordert vergoeding van het hiervoor genoemde bedrag van € 4.400,00 dat zij M3E heeft betaald voor de ondersteuning bij de eerste subsidieaanvraag. 2.40. Met de gemeente is de rechtbank van oordeel dat deze vordering moet worden afgewezen op vergelijkbare gronden als de vordering inzake de kosten voor het wind- en waterdicht maken van het bouwterrein (zie nr. 2.31 onder a). Leeuwenbrug heeft ervoor gekozen om de subsidieaanvraag in te dienen op basis van een aannemingsovereenkomst waarvan de uitvoering afhankelijk was van een omgevingsvergunning die niet onherroepelijk was en waarvan zij toen al wist dat er een gerede kans bestond dat deze niet in stand zou blijven, met als voorspelbaar gevolg dat er ook een nieuwe of aangepaste aannemingsovereenkomst gesloten zou moeten worden en opnieuw een daarop geënte subsidieaanvraag ingediend moest worden (wat in werkelijkheid ook gebeurd is, waarbij, zoals M3E in haar mail van 27 februari 2023 heeft opgemerkt “de bedragen nu wel iets anders (hoger) zijn wat dan ook nog meer subsidie kan opleveren”). Voor zover al sprake is van het vereiste causale verband tussen enerzijds het primaire besluit van B&W om in strijd met de wet de eerste omgevingsvergunning te verlenen met gebruikmaking van de reguliere voorbereidingsprocedure en anderzijds het intrekken van de eerste subsidieaanvraag, moet de vordering worden afgewezen omdat het alvast indienen van de eerste subsidieaanvraag terwijl de omgevingsvergunning niet onherroepelijk was, voor risico van Leeuwenbrug zelf komt. Dat brengt mee dat zij zelf de kosten voor de indiening van de eerste subsidieaanvraag moet dragen. Bouwdirectie en architect 2.41. De gevorderde kosten van in totaal € 30.000,00 zien volgens Leeuwenbrug op de afwikkeling van de bouwstop, de afwikkeling van de aannemingsovereenkomst met [bedrijf 4] , het zoeken en selecteren van de tweede aannemer, het maken van de tweede aannemingsovereenkomst, deze aannemer “up to speed” brengen met het project en het opstarten van de bouw. Deze vordering wordt afgewezen omdat deze kosten uiteindelijk allemaal zijn terug te voeren op de keuze van Leeuwenbrug om met de bouwwerkzaamheden te starten voordat zij beschikte over een onherroepelijke omgevingsvergunning. Wat de rechtbank heeft overwogen in nr. 2.32 over de afwijzing van de vordering tot vergoeding van het wind- en waterdicht maken van het bouwterrein, is van overeenkomstige toepassing. Managementvergoeding 2.42. Leeuwenbrug stelt dat zij als gevolg van de door de gemeente gemaakte fout een jaar langer (dan in het geval de gemeente meteen een rechtmatige omgevingsvergunning met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure zou hebben verleend) gebruik heeft gemaakt van de diensten van het management dat wordt gevoerd door Jolli Investments B.V. Die diensten betreffen volgens haar (de inzet van personeel voor) de organisatie en planning van het nieuwbouwproject. Daarvoor heeft zij een managementvergoeding van € 100.000,00 betaald aan Jolli Investments B.V. Jolli Investments B.V. is aandeelhouder en bestuurder van Leeuwenbrug (De Huyter en Leeuwenbrug Delft). [naam 2] is op zijn beurt aandeelhouder en bestuurder van Jolli Investments B.V. en dus middellijk aandeelhouder van Leeuwenbrug (zie nr. 3.2 van het tussenvonnis). [naam 2] heeft de volledige zeggenschap over Leeuwenbrug. 2.43. Leeuwenbrug heeft twee facturen van Jolli Investments B.V. overgelegd (bijlage 10 bij het rapport van [bedrijf 2] ) die zijn gedateerd op 30 juni 2022 en zijn geadresseerd aan De Huyter respectievelijk Leeuwenbrug Delft. Het factuurbedrag van beide facturen bedraagt € 50.000,00 (exclusief BTW). Afgezien van de vermelding “Management fee 2022” bevatten deze facturen geen nadere specificatie. In bijlage B 4.3 bij het rapport van Baker Tilly is een “Onderbouwing management fee” opgenomen. Hieruit blijkt dat de salariskosten van [naam 2] (op basis van 24 uur per week) en [naam 3] (op basis van 16 uur per week) de belangrijkste componenten vormen van de managementvergoeding samen met auto(lease)kosten. In de overgelegde jaarrekeningen van De Huyter en Leeuwenbrug Delft van 2022 zijn onder de post personeelskosten managementvergoedingen van € 50.000,00 opgenomen zowel voor 2021 als voor 2022. Uit de toelichting in het rapport van Baker Tilly is op te maken dat de managementvergoedingen zullen worden teruggebracht tot € 10.000 per jaar nadat het hotel operationeel is. Uit de als productie 69 overgelegde schriftelijke verklaring van [naam 2] van 5 november 2025 volgt dat de managementvergoeding per 2025 inderdaad is verlaagd naar in totaal € 10.000,00 in verband met de opening van het hotel in 2024 en de afronding van de ontwikkelwerkzaamheden. De rechtbank begrijpt de stellingen van Leeuwenbrug aldus dat de volledige managementvergoeding (voor 2022?) door de gemeente vergoed dient te worden omdat het management zich gedurende een jaar uitsluitend heeft beziggehouden met werkzaamheden die niet verricht zouden zijn als de gemeente geen fout had gemaakt. De volledige managementvergoeding is daarom volgens Leeuwenbrug als schade aan te merken die in een zodanig verband staat met het onrechtmatige besluit van de gemeente dat zij als een gevolg daarvan aan de gemeente is toe te rekenen. De gemeente betwist dat dit het geval is en voert bovendien aan dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. 2.44. De vordering zal worden afgewezen. Leeuwenbrug heeft niet aangetoond dat de werkzaamheden van het management (die zij als het ware via de managementvergoeding aan de gemeente in rekening brengt) veroorzaakt zijn door en in zodanig verband staan met het onrechtmatige besluit dat de kosten daarvan (volledig) als schade aan de gemeente zijn toe te rekenen. Voor het aannemen van die aansprakelijkheid is vereist dat Leeuwenbrug concreet stelt welke werkzaamheden het betreft én het vereiste causale verband aantoont tussen de fout van de gemeente en die werkzaamheden. Aan deze vereisten heeft Leeuwenbrug niet voldaan. Welke werkzaamheden het management heeft verricht blijkt niet uit de overgelegde facturen en evenmin uit de hiervoor besproken “onderbouwing management fee”. Daar komt bij dat zonder toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom de in die onderbouwing wel genoemde jaarlijkse autokosten ad € 28.000,00 door de gemeente zouden moeten worden vergoed. Voor wat betreft de personeelsinzet bevat het rapport van Baker Tilly (p. 17) enige duiding van de werkzaamheden die zouden zijn verricht: “Ons begrip is dat de additionele werkzaamheden van (het) management bestaan uit o.a. alle werkzaamheden rondom de bouwstop, het zoeken van een nieuwe aannemer, opvragen van nieuwe offertes en de nieuwe vergunningsprocedure”. Zoals volgt uit haar overwegingen in nr. 2.32 en nr. 2.41, die hier van overeenkomstige toepassing zijn, is de rechtbank van oordeel dat kosten voortvloeiend uit werkzaamheden rondom de bouwstop niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daargelaten of dat anders ligt voor het zoeken naar een nieuwe aannemer, het opvragen van nieuwe offertes (het is de rechtbank niet duidelijk welke offertes zijn bedoeld) en de nieuwe vergunningsprocedure, kan de rechtbank op basis van deze informatie niet beoordelen hoe de verhouding is tussen de gemaakte uren die niet en die (mogelijk) wel voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank heeft ook geen aanknopingspunten voor een beredeneerde schatting daarvan. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat Leeuwenbrug bij deze vordering uitgaat van een jaar vertraging die zou zijn toe te schrijven aan de fout van de gemeente, terwijl de rechtbank in nr. 2.18 heeft geoordeeld dat die vertraging vijf maanden en 20 dagen bedraagt. Advieskosten 2.45. Dit onderdeel van de vordering heeft betrekking op de kosten die Leeuwenbrug stelt te hebben betaald aan juridische en financiële dienstverleners die zij heeft ingeschakeld naar aanleiding van de fout die de gemeente heeft gemaakt. Het onderdeel valt uiteen in vier subonderdelen die de rechtbank achtereenvolgens zal behandelen Loyens Loeff 2.46. Dit advocatenkantoor heeft aan Leeuwenbrug in totaal een bedrag van € 43.000,00 gefactureerd door middel van acht facturen met bijbehorende specificaties in de periode van 7 april 2022 t/m 29 november 2022. In de dagvaarding heeft Leeuwenbrug voor de onderbouwing van haar stelling dat de gemeente voor deze kosten aansprakelijk is, verwezen naar het rapport van Baker Tilly. Daar is vermeld (p. 18) dat Loyens Loeff Leeuwenbrug heeft bijgestaan in alle zaken die direct uit het schadevoorval voortvloeiden, waarbij: “(…) Loyens Loeff de Onderneming (heeft) bijgestaan in het verweer richting de bezwaarden, bij alle communicatie richting de gemeente Delft met betrekking tot het volgen van de verkeerde procedure en bij het contracteren van een nieuwe aannemer”. 2.47. De gemeente heeft aangevoerd dat voor de kosten van juridische bijstand die in het kader van een bezwaarschriftenprocedure zijn gemaakt in de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) een specifieke regeling is getroffen, die erop neerkomt dat de bestuursrechter bij uitsluiting (van de burgerlijke rechter) bevoegd is een partij in de kosten van een bezwaar- of beroepsprocedure te veroordelen. Voor zover de facturen betrekking hebben op juridische bijstand die in de bezwaarfase is verleend, dient Leeuwenbrug, zo begrijpt de rechtbank het verweer van de gemeente, niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voor het overige hebben de facturen betrekking op juridische bijstand bij het contracteren van een nieuwe aannemer, waarvoor volgens de gemeente de “bouwen op eigen risico-regel” geldt zodat, voor zover de vordering daarop betrekking heeft, deze ook voor afwijzing gereed ligt. 2.48. In reactie hierop heeft Leeuwenbrug (spreekaantekeningen nr. 4.18) laten weten dat zij zij bij doorlezing van de facturen erachter is gekomen dat daarop “ongeveer 13 uur” is gefactureerd voor werkzaamheden die betrekking hebben op erfdienstbaarheden en niets met de zaak te maken hebben. Bovendien is “eveneens ongeveer 13 uur” in rekening gebracht voor werkzaamheden met betrekking tot de bezwaarprocedure, wat (kennelijk naar aanleiding van het hierboven weergegeven verweer van de gemeente) voor Leeuwenbrug aanleiding is om die uren ook in mindering te brengen op haar vordering. Leeuwenbrug “schat in dat 26 uur werk (gemiddeld) neerkomt op € 9.000 btw” en heeft haar eis overeenkomstig dat bedrag verminderd. De overgebleven advocaatkosten betreffen volgens Leeuwenbrug kosten ter voorkoming en beperking van schade in de zin van artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder a BW, en dienen door de gemeente te worden vergoed. 2.49. In artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder a BW is bepaald dat als vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking komt redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht. Deze bepaling moet begrepen worden in samenhang met de schadebeperkingsplicht die rust op de benadeelde: het is alleen redelijk van de benadeelde te verlangen dat hij zijn schade beperkt als hij ervan op aan kan dat de kosten die hij daarbij in redelijkheid maakt, vergoed zullen worden. Dit betekent dat de advocaatkosten van Loyens Loeff alleen dan voor vergoeding in aanmerking komen voor zover Leeuwenbrug aantoont dat de betreffende werkzaamheden van de advocaten erop gericht waren schade als gevolg van de fout van de gemeente te voorkomen of te beperken. Het mogen dus geen werkzaamheden betreffen die gericht zijn op de vaststelling van schade en aansprakelijkheid (artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b BW) of op het verkrijgen van voldoening buiten rechte (artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder c BW). In aanvulling op haar in nr. 2.47 weergegeven verweer heeft de gemeente betwist dat met de facturen maar “ongeveer 13 uur” in rekening is gebracht voor werkzaamheden met betrekking tot de bezwaarprocedure. Gelet op het voorgaande had het op de weg van Leeuwenbrug gelegen om gemotiveerd te stellen en te onderbouwen welke in rekening gebrachte, specifieke werkzaamheden gericht op het voorkomen of beperken van de schade de advocaten dan concreet hebben verricht. Dat “(…) deze kosten het gevolg zijn van de procedurefout van de gemeente waardoor Leeuwenbrug ineens zijn project in gevaar zag komen", of “(…) als de gemeente deze fout niet had gemaakt, waren deze kosten niet gemaakt en zou Leeuwenbrug zonder advocaat blijven werken” (spreekaantekeningen nr. 4.17). is daarvoor onvoldoende. Opmerking verdient nog dat het niet aan de rechtbank is de bij de facturen behorende urenspecificaties door te spitten teneinde daaruit te distilleren welke uren mogelijk betrekking hebben op werkzaamheden die zouden kunnen worden aangemerkt als te zijn verricht om schade als gevolg van het onrechtmatige besluit van de gemeente te voorkomen of te beperken. Het voorgaande leidt ertoe dat de gevorderde vergoeding van advocaatkosten zal worden afgewezen. [bedrijf 5] 2.50. Ook voor de onderbouwing van deze post verwijst de dagvaarding naar het rapport van Baker Tilly. Daar wordt vermeld (p. 18) dat Leeuwenbrug dit advocatenkantoor heeft ingeschakeld voor de juridische ondersteuning in de zaak tegen [bedrijf 4] en de zaak tegen de gemeente. Daarvoor heeft het advocatenkantoor in de periode vanaf 3 november 2022 t/m 7 februari 2023 in totaal een bedrag van € 34.000,00 bij Leeuwenbrug in rekening gebracht. De facturen met specificaties zijn als bijlage B 5.2 gevoegd bij het rapport. Volgens Baker Tilly dienen deze kosten als schade door de gemeente te worden vergoed, omdat Leeuwenbrug het advocatenkantoor niet zou hebben ingeschakeld als het schadevoorval niet had plaatsgevonden. Bij de conclusie vermindering van eis zijn de bedragen van twee facturen van 7 februari 2023 met de omschrijving “fixed fee”, samen € 25.000,00, op de vordering in mindering gebracht. In het rapport van [bedrijf 2] wordt toegelicht (p. 5) dat deze declaraties betrekking hebben op het voeren van deze procedure bij de rechtbank en van de schadeberekening moeten worden geëlimineerd omdat de rechtbank deze kosten forfaitair vaststelt. Met betrekking tot de resterende advocaatkosten ten bedrage van € 9.000,00 heeft Leeuwenbrug nader gesteld (spreekaantekeningen nr. 4.21) dat deze zien op de afwikkeling van de aannemingsovereenkomst en advisering over de procedurefout van de gemeente. De gemeente betwist de vordering. 2.51. Voor zover de vordering betrekking heeft op de advocaatkosten ter zake de advisering over de procedurefout, dient deze te worden afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 3 BW in verbinding met artikel 241 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv). Daaruit volgt dat ter zake van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, geen vergoeding op grond van artikel 96 lid 2 BW kan worden toegekend. Op basis van een globale kennisneming van de specificaties behorende bij de overgelegde facturen, oordeelt de rechtbank dat ter zake in rekening gebrachte werkzaamheden vallen onder verrichtingen ter instructie van de zaak (zie over de reikwijdte van dit begrip onder meer HR 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR2760). 2.52. Voor zover de vordering betrekking heeft op de afwikkeling van de aannemingsovereenkomst (de rechtbank begrijpt: met [bedrijf 4] ), dient deze te worden afgewezen reeds omdat Leeuwenbrug geen uitsplitsing heeft gemaakt welk deel van de advocaatkosten betrekking heeft op de advisering over de procedurefout, waarvan hierboven is geoordeeld dat deze niet voor vergoeding (buiten de forfaitaire proceskostenvergoeding) in aanmerking komen, en welk deel betrekking heeft op de afwikkeling van de aannemingsovereenkomst. De opmerking die de rechtbank aan het slot van nr. 2.49 heeft gemaakt, is hier van overeenkomstige toepassing. Bovendien is onduidelijk gebleven wat met “afwikkeling van de aannemingsovereenkomst” is bedoeld, terwijl dat wel van belang is voor de toewijsbaarheid van het gevorderde: indien de in rekening gebrachte werkzaamheden bijvoorbeeld betrekking hebben op de met [bedrijf 4] overeengekomen schikking in verband met de bouwstop, komen deze niet voor vergoeding in aanmerking om de redenen die in nr. 2.32 zijn vermeld. Baker Tilly 2.53. Baker Tilly heeft voor haar werkzaamheden in de periode vanaf februari 2023 t/m 31 mei 2023 in totaal een bedrag van € 19.000,00 aan Leeuwenbrug gefactureerd door middel van vier facturen die als bijlage B.5.3 bij haar rapport zijn gevoegd. Deze kosten zijn gemaakt ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. De rechtbank is van oordeel dat de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn (aan de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets is voldaan). Deze kosten komen dus op grond van artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b BW voor vergoeding in aanmerking. Het enkele feit dat Leeuwenbrug kosten heeft moeten maken om [bedrijf 2] het rapport van Baker Tilly te laten actualiseren, brengt, anders dan de gemeente heeft betoogd, niet mee dat voor wat betreft (een deel van) deze kosten niet aan de dubbele redelijkheidstoets zou zijn voldaan. Het gevorderde bedrag van € 19.000,00 zal dus worden toegewezen. [bedrijf 2] 2.54. heeft voor haar werkzaamheden in totaal € 8.792,05 aan Leeuwenbrug in rekening gebracht volgens het overzicht met bijbehorende facturen dat als bijlage 11 bij haar rapport is gevoegd. Ook deze kosten zijn gemaakt ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets en komen dus voor vergoeding in aanmerking. Stibbe ( second opinion [naam 4] ) 2.55. Nadat Leeuwenbrug de gemeente heeft gedagvaard, heeft zij aan [naam 4] (hierna: [naam 4] ) verzocht een second opinion te geven over de vraag of de gemeente op de eerste vergunningaanvraag al dan niet terecht de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing heeft verklaard. Voor de werkzaamheden die [naam 4] (en twee andere aan het advocatenkantoor Stibbe verbonden medewerkers) daarvoor hebben verricht, heeft Stibbe in totaal een bedrag van € 25.301,85 aan Leeuwenbrug gefactureerd door middel van twee facturen die, vergezeld van urenspecificaties, zijn overgelegd als producties 41 en 42. Leeuwenbrug heeft deze facturen betaald. Volgens haar zijn deze kosten aan te merken als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid die door de gemeente moeten worden vergoed. In dit verband heeft Leeuwenbrug aangevoerd dat [naam 4] om de second opinion is gevraagd omdat hij hoogleraar Overheidsaansprakelijkheidsrecht is. Hoewel hij eveneens advocaat is bij Stibbe, is hij, aldus Leeuwenbrug, niet als advocaat bij deze procedure betrokken. De gemeente heeft gemotiveerd betwist dat zij aansprakelijk is voor deze kosten. 2.56. De rechtbank merkt in de eerste plaats op dat aan [naam 4] niet de vraag is voorgelegd of de civiele rechter tot het oordeel kan komen dat het besluit van de gemeente om een omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure onrechtmatig is, zonder dat dit besluit is vernietigd (maar op verzoek van Leeuwenbrug is ingetrokken). [naam 4] heeft deze voor de uitkomst van de procedure relevante vraag (zie nrs. 5.8 en 5.9 van het tussenvonnis) dan ook niet beantwoord en in die zin is zijn second opinion van beperkte betekenis voor die uitkomst geweest. 2.57. De rechtbank constateert verder dat Leeuwenbrug deze procedure voert met de bijstand van twee advocaten, van wie mr. Mans zich vooral heeft gericht op de bestuursrechtelijke aspecten van de vergunningverlening en mr. M.C. van Kamp zich heeft beziggehouden met de civielrechtelijke aspecten van deze zaak (conclusie vermeerdering van eis, nr. 1.2). Het is natuurlijk aan Leeuwenbrug zelf om te beslissen of zij daarnaast nog meer juridische expertise inhuurt, maar de rechtbank is van oordeel dat het niet redelijk is om die extra kosten ten laste van de gemeente te brengen. 2.58. In dit verband acht de rechtbank van belang dat Leeuwenbrug [naam 4] pas heeft ingeschakeld in de loop van deze procedure. De second opinion is in deze procedure ingebracht om de rechtbank te overtuigen van de juistheid van het juridische standpunt dat Leeuwenbrug inneemt. Daarmee vertoont het karakter van de inbreng van de advocaat tevens hoogleraar [naam 4] (en de medewerkers van Stibbe) veel gelijkenis met de inbreng van de reguliere advocaten van Leeuwenbrug, waarvoor geen vergoeding op grond van artikel 96 lid 2 BW kan worden toegekend (zie nr. 2.51). 2.59. Uit het voorgaande volgt dat dit onderdeel van de vordering zal worden afgewezen. Resumé 2.60. De volgende schadeposten komen voor vergoeding in aanmerking: Misgelopen inkomsten € 328.936,99 Hogere kosten Aannemingsovereenkomst € 260.142,86 Interieurkosten € 80.000,00 Overige bouwkosten € 35.000,00 Extra diensten/advieskosten Vergunningprocedure € 20.000,00 Baker Tilly € 19.000,00 [bedrijf 2] € 8.792,05 --------------- Totaal € 751.871,90 Wettelijke rente 2.61. De wettelijke rente over de verbintenis tot betaling van schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad is verschuldigd vanaf het moment dat die verbintenis opeisbaar is en dat is het moment waarop de schade geacht moet worden te zijn geleden. Leeuwenbrug heeft primair de wettelijke rente over de verschuldigde bedragen gevorderd vanaf 4 november 2021, dat wil zeggen vanaf de datum waarop het onrechtmatige besluit is genomen. Die primaire vordering wijst de rechtbank af omdat Leeuwenbrug op dat moment nog geen schade had geleden. De rechtbank zal daarom de wettelijke rente overeenkomstig de subsidiaire vordering van Leeuwenbrug toewijzen vanaf 22 juni 2023 (datum sommatiebrief) omdat aannemelijk is dat zij toen de schade heeft geleden die volgens dit vonnis voor vergoeding door de gemeente in aanmerking komt. Buitengerechtelijke incassokosten 2.62. Leeuwenbrug vordert betaling van een bedrag van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het bereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het ‘Besluit’). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-Integraal 2013, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. 2.63. De gemeente heeft niet betwist dat Leeuwenbrug buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt. Dat dit het geval is blijkt bovendien uit de 17 pagina’s tellende sommatiebrief die haar advocaat op 22 juni 2023 aan de gemeente heeft verzonden en die als productie 39 is overgelegd. Daarmee is voldoende onderbouwd dat Leeuwenbrug buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt. 2.64. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk. Zij zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente zoals gevorderd. Proceskosten 2.65. De gemeente is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 109,44 - griffierecht € 8.519,00 - salaris advocaat € 13.030,50 (3,5 punten* × € 3.723,00**) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 21.836,94 * Een extra punt is toegekend in verband met de tweede mondelinge behandeling. Een extra half punt is toegekend voor de nadere conclusie na de tweede mondelinge behandeling. ** Voor de bepaling van het belang van de zaak heeft de rechtbank het bedrag dat is toegewezen gehanteerd. Verder is het sinds 1 februari 2026 geldende liquidatietarief toegepast. 2.66. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 3De beslissing De rechtbank 3.1. verklaart voor recht dat de gemeente een onrechtmatige daad heeft gepleegd tegenover Leeuwenbrug; 3.2. veroordeelt de gemeente om aan Leeuwenbrug een schadevergoeding te betalen van € 751.871,90, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 22 juni 2023 tot de dag van volledige betaling; 3.3. veroordeelt de gemeente om aan Leeuwenbrug € 6.775,00 aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf twee weken na dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling; 3.4. veroordeelt de gemeente in de proceskosten van € 21.836,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de gemeente niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 3.5. veroordeelt de gemeente tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 3.6. verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen (nrs. 3.2 t/m 3.5) uitvoerbaar bij voorraad; 3.7. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van de Laarschot en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026. In navolging van partijen en in overeenstemming met de datering van de (ongetekende) beschikking die de gemeente als productie 46 heeft overgelegd, heeft de rechtbank in het tussenvonnis overwogen (nr. 3.14) dat de omgevingsvergunning op 14 november 2022 is verleend. Uit nadien overgelegde stukken (productie 65 van Leeuwenbrug) blijkt echter dat B&W de beschikking waarbij de vergunning is verleend pas op 22 november 2022 heeft ondertekend. Zoals in het tussenvonnis in nr. 5.1 is overwogen, is per 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking getreden die de Wabo vervangt. De Wabo en de daarop geënte lagere regelgeving zijn echter nog van toepassing in deze zaak. [bedrijf 1] , nr. 25: “Het is op zich goed te volgen om uit te gaan van de informatie van 2025, omdat de onderneming in 2024 in een groeifase zit.” De breuk 6/14 is toegepast omdat het gevorderde bedrag is gebaseerd op een prijsstijging over 14 maanden (zoals deze tot uiting is gekomen in de aanneemsommen die Leeuwenbrug is overeengekomen met [bedrijf 4] respectievelijk [bedrijf 3] ), terwijl de aan de gemeente toe te rekenen prijsstijging slechts een periode van (afgerond) zes maanden beslaat. [bedrijf 1] komt op basis van de gemiddelde index van het Bureau Documentatie Bouwwezen B.V. (BDB) over de ontwikkeling van de bouwkosten op een stijging van 4,3% over de periode februari 2022 – september 2022. Dit is echter voor de beoordeling van deze zaak niet de relevante periode. Afgezien daarvan is niet zonder meer aannemelijk dat de door [bedrijf 1] gebruikte indexcijfers tot een betere schatting van de schade leiden dan de schatting van de rechtbank die is gebaseerd op het verschil tussen beide daadwerkelijk overeengekomen aanneemsommen, met de in de tekst beschreven aanpassingen. Bijlage B 2.1 bij het rapport van Baker Tilly. De rechtbank neemt overigens zonder meer aan dat indien [naam 4] van mening zou zijn geweest dat de gemeente de omgevingsvergunning terecht met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure heeft verleend, hij dat ook in zijn second opinion had vermeld. Maar dan zou dit stuk niet door Leeuwenbrug in het geding zijn gebracht.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.