RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL24.13665 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. N. van Bremen), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.G.R. Becker). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 27 maart 2024 (het bestreden besluit) van verweerder, waarbij de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) is afgewezen als ongegrond en is bepaald dat eiseres geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), afgeleide verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw of uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vw krijgt. Het bestreden besluit geldt ook als een terugkeerbesluit. Eiseres moet terugkeren naar Irak. 1.1. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar asielaanvraag en vindt dat verweerder het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep van [naam eiser] (eiser) met zaaknummer NL24.13664. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen G. Ahmed. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 1.4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eiseres gegrond is. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat het is genomen in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder krijgt de opdracht om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank geeft hierna allereerst een beschrijving van het asielrelaas van eiseres en het daarop gebaseerde bestreden besluit. Vervolgens beoordeelt de rechtbank de aangevoerde beroepsgronden. Daarna volgen de conclusie en de beslissing. Het asielrelaas van eiseres 3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2002 en heeft de Iraakse en Jemenitische nationaliteit. Op 6 juni 2021 heeft zij haar asielaanvraag ingediend. 3.1. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres heeft problemen in de privé- en familiesfeer vanwege haar huwelijk met eiser. De vader en ooms van eiseres willen eiseres dwingen om met haar neef te trouwen. De vader van eiseres heeft weliswaar eerst toestemming gegeven voor het huwelijk met eiser, maar is vervolgens van mening veranderd vanwege zijn broers (de ooms). De ooms hadden namelijk hun toestemming moeten geven, aangezien eiseres aan haar neef was beloofd. Eiseres is door haar ooms bedreigd en vreest bij terugkeer te worden gedood vanwege het huwelijk met eiser. Daarnaast vreest eiseres voor geweld door haar vader, aangezien hij haar moeder ook heeft mishandeld en zij niet heeft voldaan aan zijn eis om met haar neef te trouwen. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. het huwelijk met eiser en de daaruit vloeiende problemen met de vader en ooms van eiseres. 4.1. Verweerder heeft het eerste relevante element geloofwaardig geacht. Daarentegen heeft verweerder het tweede relevante element ongeloofwaardig geacht. Volgens verweerder is het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig omdat eiseres – samengevat – op meerdere punten summier, inconsistent en tegenstrijdig zou hebben verklaard en omdat onderdelen van haar asielrelaas zouden zijn gebaseerd op vermoedens. Eiseres zou niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar Irak problemen zal ondervinden met haar familie. Volgens verweerder kan eiseres op grond van het geloofwaardig geachte eerste relevante element niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Evenmin heeft eiseres volgens verweerder aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op ernstige schade. 4.2. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw. 4.3. Verweerder heeft verder overwogen dat eiseres weliswaar gezinslid is van iemand met een verblijfsvergunning in Nederland, maar dat zij geen afgeleide verblijfsvergunning krijgt omdat zij niet aan de voorwaarden daarvoor voldoet. Volgens verweerder is namelijk geen sprake van een dusdanige band tussen eiseres en haar moeder – die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft vanwege haar Jemenitische nationaliteit – dat zij zonder elkaar niet kunnen functioneren. 4.4. Verweerder heeft geconcludeerd dat eiseres geen uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vw krijgt. Hoewel eiseres heeft verklaard dat zij ziek is en al een aantal keren is geopereerd, heeft zij volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat haar ziekte zo ernstig is dat het niet verantwoord is om te reizen. De beroepsgronden van eiseres 5. Eiseres stelt – samengevat – dat verweerder zich ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zij geen gegronde vrees voor vervolging heeft en dat zij bij terugkeer naar Irak geen reëel risico loopt op ernstige schade. Ten eerste vindt eiseres dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat de bedreigingen door de ooms ongeloofwaardig zijn. Eiseres wijst in dit kader op algemene informatie waaruit blijkt dat eerwraak voorkomt in het zuiden van Irak. Ten tweede vindt eiseres dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tot slot vindt eiseres dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij niet onder het risicoprofiel ‘alleenstaande vrouwen’ valt, aangezien haar huwelijk met eiser is ontbonden en zij voor opvang en bescherming niet kan terugvallen op familieleden of een sociaal netwerk. Het oordeel van de rechtbank 6. De rechtbank gaat in overweging 6.1 in op de verwijzing naar de zienswijze in de gronden van beroep. Hierna gaat de rechtbank in overweging 6.2 in op de geloofwaardigheid van de bedreigingen door de ooms. In overwegingen 6.3 tot en met 6.4.6 gaat de rechtbank vervolgens in op artikel 8 van het EVRM. Tot slot gaat de rechtbank in overweging 6.5 in op het risicoprofiel ‘alleenstaande vrouwen’. Zienswijze 6.1. Eiseres voert allereerst aan dat wat zij in de zienswijze heeft gesteld, in beroep als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit, mede onder verwijzing naar de overwegingen in het voornemen, gemotiveerd is ingegaan op de zienswijze. Voor zover eiseres in beroep niet heeft geconcretiseerd op welke punten deze motivering ontoereikend is, kan de enkele herhaling van wat zij in de zienswijze heeft aangevoerd niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De geloofwaardigheid van de bedreigingen door de ooms 6.2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, mede onder verwijzing naar de overwegingen in het voornemen, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres met haar verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar ooms haar hebben bedreigd vanwege haar huwelijk met eiser. Verweerder heeft eiseres mogen tegenwerpen dat zij summier heeft verklaard over de bedreigingen die zij van haar ooms zou hebben ontvangen. Uit de verklaringen van eiseres volgt dat zij haar ooms niet persoonlijk heeft gesproken, dat het contact met de ooms via haar ouders is verlopen en dat één van haar ooms haar moeder heeft gebeld toen eiseres al in Nederland verbleef. Eiseres heeft echter niet kunnen verklaren welke oom heeft gebeld, wanneer dit telefoongesprek heeft plaatsgevonden, wat er is gezegd en wat de reactie van haar moeder daarop was. De gestelde problemen met haar ooms raken de kern van het asielrelaas van eiseres. Daarom mag van eiseres worden verwacht dat zij hierover gedetailleerder kan verklaren. Ook mag worden verwacht dat zij, na een dergelijk telefoongesprek waarin haar veiligheid aan de orde is, via haar moeder – met wie zij een hechte persoonlijke band heeft – kan achterhalen wie heeft gebeld, wanneer dit is gebeurd en wat er is gezegd. Hoewel eiseres heeft gewezen op algemene informatie waaruit blijkt dat eerwraak voorkomt in het zuiden van Irak, heeft verweerder zich, gelet op het voorgaande, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiseres persoonlijk te vrezen heeft voor eerwraak. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt niet. Artikel 8 van het EVRM Familie- en gezinsleven 6.3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt gesteld dat bij de toetsing aan het jongvolwassenenbeleid alleen sprake kan zijn van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM indien eiseres en haar moeder meer dan normaal afhankelijk van elkaar zijn. De rechtbank zal dit hierna uitleggen. 6.3.1. Op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan het meerderjarige kind van een vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (de referent), indien dat meerderjarige kind zodanig afhankelijk is van de referent dat zij om die reden tot diens gezin behoort. Deze bepaling is nader uitgewerkt in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). 6.3.2. Uit paragraaf C2/4.1.2 van de Vc volgt dat verweerder een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw verleent wanneer het desbetreffende gezinslid feitelijk tot het gezin van de referent behoort. Uit paragraaf C2/4.1.2.1 van de Vc volgt vervolgens dat verweerder ervan uitgaat dat een meerderjarig biologisch kind feitelijk tot het gezin van de referent behoort, indien sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Voor de invulling van dit begrip wordt verwezen naar paragraaf B7/3.8.1 van de Vc. 6.3.3. Uit paragraaf B7/3.8.1 van de Vc volgt onder meer dat verweerder het jongvolwassenenbeleid toepast om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en diens ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.