RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.7641 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar). Procesverloop Bij besluit van 25 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland daarvoor verantwoordelijk is. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (NL25.28342). Bij uitspraak van 17 juli 2025 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan. Bij uitspraak van 10 oktober 2025 is het verzet van verzoeker gegrond verklaard. Verzoeker heeft op 11 februari 2026 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat hij de uitkomst van zijn beroep in Nederland mag afwachten. De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Beoordeling door de voorzieningenrechter
- Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
- De asielaanvraag van verzoeker is niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat een andere lidstaat daarvoor verantwoordelijk is, zoals bedoeld in de Dublinverordening.
- Verweerder heeft bij brief van 11 februari 2026 meegedeeld dat hij voornemens is om op korte termijn concrete overdrachtshandelingen te verrichten, nu de uiterlijke overdrachtsdatum aanstaande is en een medische overdracht de nodige voorbereidingstijd met zich meebrengt. Daarbij heeft verweerder ook meegedeeld dat nogmaals een BMA-advies is opgevraagd. Verzoeker heeft hierop het huidige verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, inhoudende dat hij niet mag worden overgedragen voordat is beslist op zijn beroep dat op 26 februari 2026 zal worden behandeld door de rechtbank. Verweerder heeft kenbaar gemaakt zich niet te verzetten tegen een dergelijke voorlopige voorziening en verzoekt de rechtbank om met spoed uitspraak op het verzoek te doen.
- De voorzieningenrechter ziet in het bovenstaande aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en de voorlopige voorziening te treffen dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Zwitserland totdat op zijn beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
- De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; - treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Zwitserland totdat op het beroep met zaaknummer NL25.28342 is beslist; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van €
- Deze uitspraak is gedaan op 20 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.