RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/2675 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [vestigingsplaats 1], eiseres en het college van burgemeester en wethouders van Lisse (gemachtigde: mr. J.C.L. de Bruijn). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] B.V. uit [vestigingsplaats 2] vergunninghoudster (gemachtigde: mr. B.B. van Vliet). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen het besluit van het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van opslagruimte, het maken van een in- en uitrit en een erfafscheiding op het perceel [adres] in [plaats]. Eiseres is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 6 mei 2021 heeft de rechtsvoorganger van vergunninghoudster een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van opslagruimte, het maken van een in- en uitrit en een erfafscheiding op het perceel [adres] te [plaats] 2.1. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning met het besluit van 3 september 2021 (het primaire besluit) verleend. De verleende omgevingsvergunning ziet op de activiteiten ‘bouwen’, ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ en ‘het maken, hebben of veranderen van een uitweg’. Omdat het bouwplan wegens overschrijding van het bouwvlak en de maximum bouwhoogte in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan is op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) een zogenaamde kruimelvrijstelling verleend. 2.2. Met het besluit van 17 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van bezwaarmakers, waaronder eiseres, gegrond verklaard en een nieuw besluit genomen. Met inachtneming van een wijziging van de aanvraag, waarbij de totale bouwhoogte is verlaagd van zeven meter naar vier meter hoog en het hemelwater middels infiltratiekratten op het terrein zal worden afgevoerd, is de verleende omgevingsvergunning aangepast, waarin de hemelwaterafvoer middels infiltratiekratten is vastgelegd. 2.3. Eiseres is de eigenares van een teeltperceel dat grenst aan het perceel van vergunninghoudster en 45 centimeter lager ligt dan dit perceel. Eiseres heeft een constante grondwaterstand nodig voor haar teeltperceel. Dat lukt volgens haar niet onder de verleende omgevingsvergunning. Zij heeft daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.4. Op 14 februari 2023 heeft de rechtsvoorganger van vergunninghoudster opnieuw een aanvraag ingediend voor het wijzigen van de verleende omgevingsvergunning door het infiltratiesysteem te wijzigen. 2.5. Met het besluit van 6 april 2023 (wijzigingsbesluit I) heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. De afwatering van het hemelwater middels infiltratiekratten wordt op deze manier gewijzigd naar een infiltratiesysteem met Rockflow. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiseres van rechtswege mede betrekking op dit wijzigingsbesluit. 2.6. Met het besluit van 23 december 2024 (wijzigingsbesluit II) heeft het college de verleende omgevingsvergunning opnieuw gewijzigd. Het college heeft met dit besluit op de nogmaals gewijzigde aanvraag van vergunninghoudster de omgevingsvergunning aangepast door de hemelwaterafvoer middels infiltratiekratten te vervangen door hemelwaterafvoer overeenkomstig het waterhuishoudkundig plan van Nepocon van 1 augustus 2024. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van eiseres van rechtswege mede betrekking op dit wijzigingsbesluit. 2.7. Eiseres heeft tegen beide wijzigingsbesluiten gronden aangevoerd. Het beroep van eiseres richt zich voornamelijk tegen de waterafvoer op het perceel en de gestelde negatieve gevolgen daarvan voor haar perceel. 2.8. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft nadere stukken overgelegd 2.9. De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] namens eiseres, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 3], [naam 4] en [naam 5], [naam 6] namens vergunninghoudster en de gemachtigde van vergunninghoudster. Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht Omgevingswet 3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). 3.1. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 6 mei 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft. Voorbereidingsprocedure 4. Eiseres betoogt dat het bestreden besluit ten onrechte is voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure. Eiseres voert hiertoe aan dat het college het bestreden besluit vanwege de initieel aangevraagde bouwhoogte van 7 meter met de uitgebreide voorbereidingsprocedure had moeten voorbereiden, omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 4, onderdeel 1 van bijlage II bij het Bor en geen kruimelvrijstelling had kunnen worden verleend. 4.1. De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling of de wijziging van ondergeschikte aard is, het antwoord op de vraag of de ruimtelijke uitstraling van het oorspronkelijke bouwplan verandert en daarmee ook de uiterlijke verschijningsvorm van het gebouw, belangrijk is. De vraag of zich een wijziging van ondergeschikte aard voordoet moet per concreet geval beoordeeld worden. Als de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan gesproken kan worden, moet een nieuwe aanvraag worden ingediend. 4.2. Naar het oordeel van de rechtbank stelt het college zich terecht op het standpunt dat de wijziging van de aanvraag gedurende de bezwaarprocedure een wijziging van ondergeschikte aard betreft. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat de wijziging ziet op het verlagen van de bouwhoogte van het kantoorgedeelte aan de voorzijde en dat dit kantoorgedeelte in relatie tot de gehele bedrijfshal van beperkte omvang is. Nu het gebouw voor het overige ongewijzigd blijft is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard. Het toen beoogde infiltratiesysteem zou onder de grond worden aangelegd en heeft daarom nauwelijks ruimtelijke uitstraling. Nu sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard en het gewijzigde bouwplan met een bouwhoogte van vier meter voldoet aan de vereisten van artikel 4, onderdeel 1 van bijlage II bij het Bor was het college bevoegd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo een kruimelvrijstelling te verlenen en heeft het college het bestreden besluit kunnen voorbereiden met de reguliere voorbereidingsprocedure. Het betoog slaagt niet. Horen 5. Eiseres betoogt dat zij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar. Omdat het college naar aanleiding van een bericht van de bezwarencommissie gedurende de bezwaarprocedure het standpunt innam dat geen kruimelvrijstelling kon worden verleend en dus de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd had moeten worden, is de hoorzitting geannuleerd. Nu het bestreden besluit uiteindelijk toch met de reguliere voorbereidingsprocedure is voorbereid en de omgevingsvergunning met kruimelvrijstelling op basis van de gewijzigde aanvraag aangepast in stand is gelaten, had het college eiseres alsnog moeten horen. 5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat bezwaarmakers wel zijn gehoord omdat gezamenlijk over oplossingen met betrekking tot de waterafvoer is nagedacht. 5.2. Ingevolge artikel 7:9 van de Awb wordt, wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord. 5.3. Naar het oordeel van de rechtbank had het college eiseres in het licht van het voorgaande voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit op grond van artikel 7:9 van de Awb de gelegenheid moeten bieden om over het gewijzigde bouwplan te worden gehoord. Het betoog van eiseres slaagt. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek in de voorbereiding van het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Eiseres heeft in beroep tegen het bestreden besluit alsnog de gelegenheid gehad om haar standpunten naar voren te brengen en zij heeft dat ook gedaan. Bovendien is de wijziging met betrekking tot de afvoer van hemelwater middels infiltratiekratten op het terrein niet meer aan de orde. Eiseres is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet benadeeld door het achterwege laten van een hoorzitting. Wijzigingen 6. Voor zover eiseres betoogt dat dat het niet is toegestaan dat vergunninghoudster en het college diverse aanvragen indienen en goedkeuren, zodat het bouwplan alsnog wordt toegestaan, overweegt de rechtbank dat begrijpelijk is dat de vele wijzigingen verwarrend zijn. Eiseres is echter niet processueel benadeeld, omdat zij continu gronden heeft kunnen aanvoeren tegen de wijzigingsbesluiten. Uit het feit dat eiseres dat ook continu heeft gedaan, blijkt naar het oordeel van de rechtbank bovendien dat de strekking van de wijzigingen voor eiseres voldoende duidelijk was. Ook overigens overweegt de rechtbank dat de wijzigingen er ook deels op gericht waren om eiseres tegemoet te komen. Het betoog slaagt niet. De vrees voor wateroverlast 7. Eiseres betoogt dat het college met het bestreden besluit ten onrechte is afgeweken van de planregels over het bouwoppervlak, omdat het college op grond van artikel 15.3.1, derde lid van de planregels alleen mag afwijken van het bestemmingsplan indien de omliggende (agrarische) bedrijven niet onevenredig in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Volgens eiseres wordt zij door het bouwplan onevenredig in haar bedrijfsvoering beperkt, nu de afvoer van het hemelwater niet goed is geregeld met de uitvoering van het waterhuishoudkundig plan van Nepocon. Een groot deel van het regenwater zal afvloeien naar haar lagergelegen land, waardoor dit regelmatig onder water zal komen te staan en bollen verrotten. In perioden van droogte treedt ook verdroging op. Bouwbesluit 2012 8. Het Bouwbesluit 2012 geeft in afdeling 6.4 voorschriften over de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater bij nieuwbouw en bestaande bouw. In artikel 6.15 staat dat een bouwwerk een zodanige voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater heeft dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd. Daaronder valt ook dat de afvoer geen onevenredige overlast veroorzaakt op naburige percelen. 8.1. De toets die het college moet uitvoeren is een aannemelijkheidstoets. Bij de beantwoording van de vraag of op basis van de door de aanvrager overgelegde stukken aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit komt verweerder beoordelingsruimte toe. Dit betekent dat niet hoeft te zijn aangetoond dat aan het Bouwbesluit wordt voldaan. Een handhavings- en legalisatietraject waarin eerst een bouwwerk wordt gerealiseerd en pas daarna daarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd, vormt geen bijzondere omstandigheid die noopt tot afwijking van het beleid van beperkte toetsing aan het Bouwbesluit. Als echter gemotiveerd wordt gesteld dat het bouwwerk niet aan het Bouwbesluit voldoet, kan niet langer zonder nadere toetsing en motivering aannemelijk worden geacht dat het bouwplan daaraan voldoet. Goede ruimtelijke ordening 9. Ter plaatse gelden de bestemmingsplannen ‘Landelijk gebied’ (het bestemmingsplan) en het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren Lisse’. De gronden waarop het bouwplan is voorzien hebben de enkelbestemming ‘Bedrijf’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 4’. Vaststaat en niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat een deel van het gebouw buiten bouwvlak ligt en dit in strijd is met artikel 15.2, onder a van het bestemmingsplan. 9.1. Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geweigerd, in geval van, kort gezegd, (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.