← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2026:3627

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.20589 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. J.E. de Poorte), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. R.E. Thijssen). Inleiding In het besluit van 23 augustus 2023 heeft verweerder de tijdelijke bescherming van eiser beëindigd per 4 september

  1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 23 augustus
  2. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. In de uitspraak van 1 september 2023 heeft de voorzieningenrechter het besluit van 23 augustus 2023 geschorst totdat uitspraak is gedaan op het beroep. Op 15 februari 2024 heeft verweerder het besluit van 23 augustus 2023 ingetrokken. Bij brief van 7 februari 2024 heeft verweerder aangekondigd dat eisers tijdelijke bescherming na 4 maart 2024 zal eindigen. Eiser heeft meegedeeld zijn eerder ingediende beroep (NL23.259770) te handhaven onder vermelding dat dit beroep betrekking heeft op het besluit van 7 februari
  3. Eiser heeft opnieuw verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. In de uitspraak van 7 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter de op 1 september 2023 getroffen voorziening aangevuld totdat uitspraak is gedaan op het beroep. Op 5 maart 2024 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het besluit van 7 februari
  4. Eiser heeft het beroep (NL23.259770) ingesteld tegen het besluit van 7 februari 2024 op 14 mei 2024 ingetrokken. De rechtbank heeft het huidige beroep van 5 maart 2024 aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, en van de Afdeling van 25 april
  5. Het Hof heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december
  6. Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, verschenen. Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder op 12 augustus 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dit besluit en de hiervoor genoemde jurisprudentie te reageren. Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Hierop hebben partijen instemmend gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb. Beoordeling door de rechtbank
  7. Eiser is geboren op [geboortedag] 2001 en heeft de Marokkaanse nationaliteit.
  8. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.
  9. In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken na die datum moet verlaten. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. Daarom heeft verweerder de gevolgen van dit besluit bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiser die nog een lopende procedure hebben. In het vervangende besluit van 12 augustus 2025 heeft verweerder bepaald dat het eerdere besluit te vroeg is genomen en dat eiser binnen vier weken na deze uitspraak Nederland moet verlaten.
  10. Eiser is het niet eens met het vervangende terugkeerbesluit van 12 augustus
  11. Hij voert aan dat verweerder zijn tijdelijke bescherming niet mag beëindigen en de terugkeerbesluiten prematuur zijn genomen. Sinds 4 maart 2024 geniet eiser tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en het daarbij behorende Uitvoeringsbesluit. Volgens eiser bieden deze regelingen geen grondslag voor lidstaten om reeds verleende tijdelijke bescherming te beëindigen, zolang de maximale duur daarvan niet is verstreken en de Raad van de Europese Unie niet heeft besloten de tijdelijke bescherming te beëindigen. Daarnaast beroept eiser zich op artikel 8 van het EVRM. Eiser verblijft al geruime tijd in Nederland, heeft hier gewerkt, een sociaal leven opgebouwd en heeft geen banden met meer met Marokko.
  12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het rechtmatig verblijf van eiser op 4 maart 2024 van rechtswege geëindigd is, zodat het vervangende terugkeerbesluit rechtmatig is. Volgens verweerder geldt de zogenoemde bevriezingsmaatregel niet als rechtmatig verblijf en staat deze daarom niet aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit in de weg. Verder meent verweerder dat de door eiser gestelde banden met Nederland, die hij tijdens zijn tijdelijke verblijf heeft opgebouwd, niet maken dat het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Daarbij wijst verweerder erop dat eiser vanwege het tijdelijke karakter van zijn verblijfsrecht rekening moest houden met terugkeer naar zijn land van herkomst. Indien eiser meent aanspraak te maken op een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM, arbeid in loondienst of zelfstandige, kan hij daartoe een strekkende aanvraag indienen. De rechtbank oordeelt als volgt.
  13. In het arrest Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart
  14. Met het aangevulde besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het aangevulde besluit vermeldt dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar Marokko. Daarmee voldoet het aangevulde besluit aan de vereisten van de Terugkeerrichtlijn.
  15. Omdat de bevriezingsmaatregel niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf, is ook geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarbij komt dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, en van 17 januari
  16. Dergelijke toezeggingen zijn evenmin uit het dossier van eiser op te maken.
  17. Op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn moet bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit rekening worden gehouden met het familie- en gezinsleven. Uit wat door eiser is aangevoerd kan echter niet worden opgemaakt dat hij in Nederland beschermenswaardig familie- of privéleven heeft opgebouwd zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM.
  18. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om het vervangende besluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar het arrest Ararat van het Hof van 17 oktober
  19. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het vervangende terugkeerbesluit blijft in stand.
  20. Omdat het oorspronkelijke besluit gelet op het arrest Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken een gebrek bevatte, is het beroep in zoverre terecht ingediend en bestaat er aanleiding om verweerder de veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ter hoogte van € 934 (negenhonderdvierendertig euro). Deze uitspraak is gedaan op 23 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming) van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen, en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan. ECLI:NL:RBDHA:2023:
  21. ECLI:NL:RBDHA:2024:
  22. Hof van Justitie van de Europese Unie. ECLI:NL:RBDHA:2024:
  23. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2024:
  24. ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak Kaduna en Abkez . ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:
  25. ECLI:NL:RBAMS:2025:
  26. Algemene wet bestuursrecht. https://ind.nl/nl/nieuws/bevriezingsmaatregel-derdelanders-oekraine-stopt-op-4-september-2025 Richtlijn 2008/115/EG. ECLI:NL:RVS:2024:
  27. ECLI:EU:C:2024:892.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.