RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.7099 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. J.L. Crutzen), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. A.N. Sap). Procesverloop Bij besluit van 9 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Verschenen zijn: eiser (met behulp van een beeldverbinding), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Overwegingen Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
- Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij beschikt over € 1.800,- en een ID-kaart, waardoor hij op eigen gelegenheid een ticket kon kopen en de dag van zijn aanhouding kon terugkeren naar Georgië. 1.
- De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Eiser beschikte ten tijde van het opleggen van de maatregel niet over de benodigde reisdocumenten om naar Georgië te reizen. Daarbij heeft de minister in de maatregel terecht gewezen op de niet bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en waaruit het risico op onttrekking aan het toezicht volgt. Daarmee heeft de minister voldoende gemotiveerd dat met een lichter middel dan inbewaringstelling niet kon worden volstaan. Het feit dat eiser nu wel een ID-kaart heeft is onvoldoende om zelfstandig te kunnen terugkeren, zodat de minister hierin geen reden heeft hoeven zien om de bewaring op te heffen. Eiser heeft bovendien, zoals de minister terecht op zitting heeft gesteld, tijdens het vertrekgesprek van 17 februari 2026 bevestigd dat hij verschillende zaken met de Georgische autoriteiten zou moeten regelen om terug te kunnen keren, wat meer tijd zou kosten en waarvan hij de meerwaarde niet inziet. De beroepsgrond slaagt niet. Leidt ambtshalve toetsing tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring?
- Los van de door eiser aangevoerde beroepsgrond, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens ook geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).