← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2026:3682

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL25.32499 [V-Nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [belanghebbende] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. J. Bravo Mougán), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop Belanghebbende heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de gelegenheid van verweer gehad. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Overwegingen

  1. Belanghebbende heeft op 18 maart 2024 een asielaanvraag ingediend. Belanghebbende heeft verweerder op 6 februari 2025 in gebreke gesteld, waarna hij op 27 februari 2025 in beroep is gegaan wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag.
  2. Op het beroep dat is ingesteld op 27 februari 2025, geregistreerd onder zaaknummer NL25.9353, heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, op 2 juli 2025 uitspraak gedaan en dat beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft verweerder opgedragen om binnen zestien weken op de aanvraag van belanghebbende te beslissen. De rechtbank heeft daaraan een rechterlijke dwangsom verbonden van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-.
  3. Op 17 juli 2025 heeft belanghebbende opnieuw beroep ingesteld. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder reeds op de aanvraag heeft beslist, terwijl de maximale termijn van 21 maanden om te beslissen op een asielaanvraag inmiddels op 18 december 2025 is verstreken. Omdat verweerder nog geen besluit op de aanvraag bekend heeft gemaakt, is het beroep gegrond. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit wordt vernietigd.
  4. De door de rechtbank bij uitspraak van 2 juli 2025 bepaalde beslistermijn van 16 weken is op 20 oktober 2025 verstreken. De rechterlijke dwangsom loopt vol op 19 maart
  5. De rechtbank ziet in deze omstandigheid en in het feit dat de maximale beslistermijn van 21 maanden reeds is verstreken aanleiding om, met toepassing van artikel 8:55d, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, te bepalen dat verweerder zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk op 19 maart 2026 alsnog op de aanvraag dient te beslissen. De rechtbank verbindt aan het overschrijden van deze termijn een aanvullende rechterlijke dwangsom op van € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-.
  6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Beslissing De rechtbank, verklaart het beroep gegrond en vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit; draagt verweerder op zo snel mogelijk, maar uiterlijk op 19 maart 2026 een besluit bekend te maken; bepaalt dat verweerder aan belanghebbende een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 467,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van S. Yagkoubi, griffier. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). ECLI:NL:RBDHA:2025:12206 De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4865.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.