← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2026:3686

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.51008 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. L.S.T.H. Ruijters), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag als ongegrond. Eiser is het met die afwijzing niet eens en heeft op 20 oktober 2025 beroep ingesteld.
  2. De rechtbank heeft partijen gewezen op hun recht om op een zitting te worden gehoord en heeft ze uitgenodigd voor een zitting op 4 februari
  3. Verweerder heeft zich op 3 februari 2026 afgemeld voor de zitting. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens de rechtbank verzocht om de zaak op de stukken af te doen. De rechtbank heeft daarop op 3 februari 2026 bepaald dat een onderzoek ter zitting verder achterwege blijft en heeft het onderzoek op 13 februari 2026 gesloten. Overwegingen
  4. De rechtbank beoordeelt (ambtshalve) de ontvankelijkheid van het beroep en – in dat verband – of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep.
  5. De gemachtigde van eiser heeft in zijn brief van 3 februari 2026 aangegeven dat Nidos heeft laten weten dat eiser vermist is en dat er geen contact met hem mogelijk is. Verweerder heeft vervolgens op 9 februari 2026 bevestigd dat eiser is geregistreerd als ‘met onbekende bestemming vertrokken’.
  6. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder verweerder te laten weten waar hij verblijft, in beginsel ervan wordt uitgegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte bescherming in Nederland. Dit is anders als de vreemdeling contact met zijn gemachtigde onderhoudt.
  7. Gezien de informatie van verweerder en de gemachtigde van eiser, gaat de rechtbank ervan uit dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Daarom heeft eiser geen procesbelang bij een inhoudelijke behandeling van het door hem ingestelde beroep.
  8. Het beroep is niet-ontvankelijk.
  9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan op 24 februari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.