RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.53221 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], V-nummer: [nummer], [naam], V-nummer: [nummer], [naam], V-nummer: [nummer], [naam], V-nummer: [nummer], [naam], V-nummer: [nummer], [naam], V-nummer: [nummer], [naam], V-nummer: [nummer], tezamen: eisers,(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding
- Deze uitspraak gaat over het opvolgende beroep dat eisers hebben ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de aanvragen tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf. 1.
- De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank
- In een eerdere beroepsprocedure niet tijdig beslissen heeft de rechtbank de minister opgedragen om vóór 30 januari 2026 alsnog een beslissing op de aanvraag te nemen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft deze uitspraak vernietigd en de termijn in deze uitspraak vervangen door een nadere termijn van vier weken na de dag van verzending van de uitspraak van de rechtbank, door acht weken als de minister gelegenheid tot herstel van verzuimen aanbiedt, door zestien weken als hij nader onderzoek aanbiedt en door twintig weken als hij zowel gelegenheid tot herstel van verzuimen als nader onderzoek aanbiedt. De minister heeft dit niet gedaan.
- Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond.
- De rechtbank stelt vast dat het dossier (mogelijk) nog niet compleet is, omdat de minister de bij de aanvraag ingediende documenten nog moet beoordelen, van plan is een herstelverzuim te sturen voor nadere documenten of informatie, of in afwachting is van een reactie op die herstelverzuimbrief. Dit betekent dat de minister in principe binnen acht weken een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Echter, het gaat in deze zaak om een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen. Mede gelet op het tijdsverloop sinds de vorige procedure bepaalt de rechtbank dat de minister binnen vier weken een beslissing op de aanvraag moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
- Eisers hebben gevraagd om een dwangsom op te leggen als de minister niet op tijd beslist. De rechtbank bepaalt dat de minister opnieuw een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt thans een maximum van € 15.000,-. De rechtbank overweegt dat deze dwangsom redelijk is. In het feit dat de eerder opgelegde dwangsom niet heeft geleid tot het nemen van een besluit ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding voor een verhoging van de dwangsom.
- De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-. De minister moet ook het door eisers betaalde griffierecht vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt de minister op binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken. bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden; veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 467,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.S. van der Veen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.