← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2026:3824

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/9117 uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 februari 2026 in de zaak tussen [verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker (gemachtigde: mr. H. Tahiri el Osruti), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: [gemachtigde]). Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het stopzetten van zijn Ziektewet-uitkering. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.
  2. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. 1.
  3. Verweerder heeft in het besluit van 7 oktober 2025 bepaald dat verzoeker vanaf 30 september 2025 geen recht meer heeft op een Ziektewet-uitkering. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Beoordeling door de voorzieningenrechter Toetsingskader
  4. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 53,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald? 2.
  5. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 24 december 2025 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Deze aangetekend verzonden brief is op 27 januari 2026 retour gekomen. Op 28 januari 2026 heeft de rechtbank de griffierechtnota per gewone post verzonden naar het adres zoals verzoeker dat in zijn verzoekschrift heeft vermeld. Verzoeker heeft het griffierecht niet op tijd betaald. Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar? 2.
  6. Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Conclusie en gevolgen
  7. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 februari
  8. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.