ECLI:NL:RBDHA:2026:3872
Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-2820 Zaaknummer: C/09/683625 Datum beschikking: 27 januari 2026 Scheiding Beschikking op het op 14 april 2025 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. C.H. Remmelink te Zoetermeer .
Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, verblijvende op een onbekend adres binnen of buiten Nederland.
Procedure De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in raadkamer hun mening kenbaar gemaakt.
Feiten
Alle kinderen verblijven bij de vrouw.
Partijen bezitten beiden in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.
Verzoek Het verzoek strekt tot echtscheiding en het treffen van nevenvoorzieningen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling Echtscheiding Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu beide echtgenoten de Nederlandse nationaliteit hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Erkenning huwelijk Omdat partijen zijn gehuwd in Jemen moet de rechtbank allereerst beoordelen of sprake is van een rechtsgeldig huwelijk naar Jemenitisch recht, voordat zij kan beslissen op het verzoek tot echtscheiding. Naar Jemenitisch recht komt een huwelijk tot stand door het ondertekenen van een huwelijkscontract door de aanstaande echtgenoot en de huwelijksvoogd (Wali) van de vrouw, in het bijzijn van minstens twee getuigen. Het huwelijk dient vervolgens binnen een maand te worden geregistreerd door degene die het huwelijkscontract verstrekt, de man en de huwelijksvoogd. Uit de door de vrouw overgelegde (vertaling van) de huwelijksakte volgt dat hiervan sprake is geweest: partijen zijn op [datum] 2002 met elkaar gehuwd en het huwelijk is op dezelfde dag geregistreerd.
Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank aan dat sprake is tussen de man en de vrouw voltrokken huwelijk conform het Jemenitisch recht. Het huwelijk komt op grond van het bepaalde in artikel 10:31 lid 1 BW voor erkenning in Nederland in aanmerking, tenzij deze erkenning onverenigbaar is met de openbare orde van Nederland. Hier is niet van gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het huwelijk tussen partijen rechtsgeldig is in Nederland.
Ontvankelijkheid (ouderschapsplan) Op grond van artikel 815 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval voldoende aannemelijk geworden dat partijen niet in staat zijn om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen. Gelet hierop zal de rechtbank voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815 tweede lid Rv. De rechtbank zal daarom de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.
Inhoudelijke beoordeling De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats De vrouw heeft verzocht om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij haar te bepalen. Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats.
De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, nu ook niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet.
Voor zover de vrouw nog heeft verzocht om te bepalen dat aan haar het recht toekomt om de kinderbijslag ten behoeve van de kinderen aan te vragen, geldt dat dit reeds volgt uit het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar, omdat dit ertoe leidt dat de kinderen ook op haar adres ingeschreven zullen staan. De vrouw kan daarmee de kinderbijslag aanvragen via de Sociale Verzekeringsbank.
Huurrecht echtelijke woning De vrouw heeft het huurrecht van de echtelijke woning verzocht. De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a Rv komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning. De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot het huurrecht van de woning als niet weer sproken en op de wet gegrond toewijzen.
Afwikkeling huwelijksvermogensregime Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.
Voor wat betreft het toepasselijke recht is het volgende van belang. Partijen zijn gehuwd in 2002, zodat het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (HHV 1978) van toepassing is. Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. Nu Nederland het land is waarmee het huwelijk van partijen het nauwst is verbonden, omdat zij hier het overgrote deel van het huwelijk hebben gewoond en ook de kinderen hier zijn geboren, is op het huwelijksvermogensrecht het Nederlands recht van toepassing.
Gemeenschap van goederen Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dan dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW (zoals dat gold tot 1 januari 2018)) bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.
Peildatum Door de vrouw is verzocht om, in afwijking van artikel 1:99 BW, de peildatum voor de samenstelling en waardering van de huwelijksgoederengemeenschap op 1 januari 2025 te bepalen. Uit vaste jurisprudentie volgt echter dat er geen ruimte is om van de peildatum voor de omvang van de gemeenschap af te wijken. Deze peildatum is de datum waarop de huwelijksgoederengemeenschap wordt ontbonden, zijnde datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, aldus op 14 april 2025.
Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt als peildatum de datum van de feitelijke verdeling. Hiervan kan alleen worden afgeweken wanneer de man en de vrouw dit overeenkomen of de eisen van de redelijkheid en billijkheid dit met zich meebrengen. Nu partijen hierover geen afwijkende afspraak hebben gemaakt en gesteld noch gebleken is dat een afwijkende peildatum naar redelijkheid en billijkheid vereist is, zal de rechtbank ook hieraan voorbijgaan.
Inhoudelijke beoordeling De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot de vaststelling van de verdeling als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Beslissing De rechtbank: spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2002 te (onbekend), Jemen, waarvan de huwelijksakte op dezelfde datum is geregistreerd te [plaats 1] , Jemen; bepaalt dat de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ; [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats 2] ; [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2018 te [geboorteplaats 2] . de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw; bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de woonruimte te ( [postcode] ) [plaats 2] , aan het [adres] ; stelt de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 27 januari 2026.