Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: HA RK 22-173 Zaaknummer: C/09/628990 Datum beschikking: 27 januari 2026 Vaststelling van Nederlanderschap Beschikking op het op 11 mei 2022 ingekomen verzoekschrift van: [verzoekster], verzoekster, in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats 1], [land], woonplaats kiezende te [woonplaats], advocaat: mr. W. Hoebba te Amsterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verder te noemen “de IND”), zetelende te ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door: mr. R.Y. Reckers. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - de brief van 22 juni 2022, met bijlage, van de IND; - de brief van 24 augustus 2022, met bijlagen, van verzoekster; - de brief van 26 september 2022, met bijlagen, van verzoekster; - de brief van 13 februari 2023, met bijlagen, van de IND; - de brief van 14 maart 2023 van verzoekster; - de conclusie van de officier van justitie van 29 maart 2023; - het e-mailbericht, met bijlagen, van 19 juni 2023 van de IND; - de brief van 27 maart 2024 van de IND; - het e-mailbericht van 23 april 2024 van de IND; - de brief van 30 mei 2024 van verzoekster; - de brief van 2 juli 2024 van verzoekster; - het e-mailbericht van 25 oktober 2024 van verzoekster; - het e-mailbericht van 11 februari 2025 van verzoekster. Op 9 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoekster met haar advocaat en R.Y. Reckers namens de IND. Van de zijde van de IND zijn pleitnotities overgelegd. Verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van de minderjarige [minderjarige], een en ander uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de IND in de proceskosten. De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek. De officier van justitie heeft bij voormelde conclusie medegedeeld zich aan te sluiten bij het standpunt van de IND. Feiten - Verzoekster heeft de Surinaamse nationaliteit. - Op 1 oktober 2017 is verzoekster door de Koninklijke Marechaussee van Schiphol aan de grens geweigerd en aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet. - Bij vonnis van [geboortedatum 3] 2017 is verzoekster door de Politierechter te Haarlem veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf wegens overtreding van artikel 10 van de Opiumwet. - Bij beschikking van 16 november 2017 van de IND is verzoekster ongewenst verklaard. - Blijkens een akte van erkenning van elk kind waarvan een vrouw zwanger is, opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Rotterdam, is op 21 oktober 2019 het ongeboren kind van verzoekster erkend door [naam 1], geboren op [geboortedatum 2] 1981 te [geboorteplaats 2], [geboorteland 2]. - Uit verzoekster is op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats 1], [land] geboren [minderjarige] . - De erkenning is in [land] door de ambtenaar van de burgerlijke stand niet erkend als een rechtsgeldige erkenning wegens een vermoeden dat sprake is van een schijnerkenning en is als gevolg daarvan niet bijgeschreven op de geboorteakte van [minderjarige]. - Uit de gegevens in de Basisregistratie personen (BRP) blijkt dat aan [naam 1] bij Koninklijk Besluit van 26 mei 2005 de Nederlandse nationaliteit is verleend. Hij heeft zich voor het eerst op 4 november 1996 in Nederland ingeschreven, is op 14 november 2013 uitgeschreven (land onbekend), op 21 juli 2016 weer ingeschreven in de gemeente Rotterdam, op 11 februari 2019 uitgeschreven wegens vertrek naar [geboorteland 2], op 17 april 2020 weer ingeschreven in Rotterdam en op 7 december 2020 weer uitgeschreven wegens vertrek naar [geboorteland 2]. Sindsdien staat hij niet meer ingeschreven in de Nederlandse BRP. - Op 10 februari 2022 is door de gemeente Middelburg bij de IND een melding gedaan van een verzoek tot erkenning van [minderjarige] door een Nederlandse man, zijnde [naam 2], geboren op [geboortedatum 3] 1987 te [geboorteplaats 2]. Daarbij is vermeld dat uit onderzoek van de gemeente Middelburg is gebleken dat [minderjarige] al eerder in Rotterdam is erkend door een andere man en dat de geboortegemeente in [land] die erkenning heeft geweigerd op grond van indicaties van een schijnerkenning. Beoordeling In geschil is of [minderjarige] in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster stelt dat dit het geval is en voert daartoe, verkort weergegeven, het volgende aan. [minderjarige] is voor zijn geboorte erkend door een Nederlandse man. Door deze erkenning heeft [minderjarige] primair op grond van artikel 3 lid 1 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), subsidiair op grond van artikel 4 lid 2 RWN bij zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit verkregen. De IND stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een schijnerkenning van [minderjarige] door [naam 1]. De erkenning van [minderjarige] is volgens de IND uitsluitend verricht met als doel dat [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit verkrijgt. De IND stelt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Rotterdam onvoldoende onderzoek heeft gedaan ten tijde van de erkenning en daarom ten onrechte een akte van erkenning heeft opgemaakt. Dat er sprake is van een schijnerkenning leidt de IND af uit het feit dat de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente], [land], heeft geweigerd van de erkenning een latere vermelding aan de geboorteakte van [minderjarige] toe te voegen. Ook uit het feit dat verzoekster in 2022 in de gemeente Middelburg heeft geprobeerd [minderjarige] door een andere man te laten erkennen moet volgens de IND leiden tot de conclusie dat er sprake is van een schijnerkenning. De IND stelt dan ook dat de erkenning nietig is wegens strijd met de openbare orde op grond van artikel 3:40, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW) en dat [minderjarige] dus niet door de erkenning door een Nederlandse man de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat [minderjarige] voor zijn geboorte is erkend door een Nederlandse man en dat daarvan een akte is opgemaakt. De gronden voor nietigheid van de erkenning zijn limitatief vermeld in artikel 1:204 BW. Een zogenaamde schijnerkenning zoals bedoeld door de IND, wordt daarin niet genoemd. In het geval er sprake is van een erkenning in strijd met de openbare orde kan het Openbaar Ministerie op grond van artikel 1:205 BW een verzoek tot vernietiging van de erkenning indienen. Een dergelijk verzoek is echter nimmer gedaan en ligt ook op dit moment niet voor. Dat betekent dat het er voor moet worden gehouden dat de erkenning van [minderjarige] door [naam 1] rechtsgeldig heeft plaatsgevonden en dat hij als gevolg daarvan ten tijde van zijn geboorte twee juridische ouders had van wie zijn juridische vader de Nederlandse nationaliteit had. [minderjarige] heeft dus op grond van artikel 3 lid 1 RWN bij geboorte de Nederlandse nationaliteit verkregen. De rechtbank wijst het verzoek daarom toe. De aard van de zaak verzet zich tegen uitvoerbaar verklaring bij voorraad, zodat het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen. Proceskosten De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de IND in de proceskosten van verzoekster en zal het verzoek daartoe afwijzen. Beslissing De rechtbank: * stelt vast dat [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats 1], [land], sinds zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit bezit; * wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Brakel, A.M. van der Vliet en A.P. de Klerk, rechters, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2026.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.