← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2026:3999

Rechtbank DEN HAAG Team Jeugd- en Zorgrecht Zaaksgegevens: C/09/694229 / JE RK 25-1895 Datum uitspraak: 28 januari 2026 Beschikking van de kinderrechter Ondertoezichtstelling in de zaak naar aanleiding van het op 6 november 2025 ingekomen verzoekschrift van: de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden, hierna te noemen: de Raad, betreffende: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , - [minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. R.F. van Galen in Alphen aan den Rijn. [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. W.N. Sardjoe in ’s-Gravenhage, De kinderrechter merkt als informant aan: Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling. Het procesverloop Bij beschikking van 5 december 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank is het verzoek tot ondertoezichtstelling aangehouden tot aan de mondelinge behandeling van de echtscheidingsprocedure op 14 januari

  1. De kinderrechter heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder ook voornoemde beschikking van 5 december
  2. Op 14 januari 2026 heeft de kinderrechter de zaak op de zitting met gesloten deuren van deze rechtbank voortgezet in de vorm van een gecombineerde behandeling van zowel onderhavig verzoek als de verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen (C/09/685620 JE RK 25-1895). Op laatstgenoemde verzoeken wordt bij afzonderlijke beschikking beslist. Daarbij zijn verschenen: de vader bijgestaan door zijn advocaat; de moeder bijgestaan door haar advocaat; [naam 1] en [naam 2] namens de Raad; [naam 3] namens de gecertificeerde instelling. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn voorafgaand aan de zitting in raadkamer gehoord. Beoordeling Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt. De kinderrechter heeft ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Tussen de ouders is sprake van complexe echtscheidingsproblematiek en zij maken daarbij veel verwijten naar elkaar. De ouders staan in hun verhalen lijnrecht tegenover elkaar en blijken niet in staat met elkaar op een positieve manier te kunnen communiceren. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden hierdoor – ongewild – betrokken in de strijd tussen de ouders. Dit heeft er onder andere toe geleid dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben aangeven niet meer naar de vader te willen, waardoor sprake is van dreigend contactverlies. Ondanks dat er een voorlopige zorgregeling is vastgelegd bij beschikking van 14 oktober 2025 van deze rechtbank, en de moeder bij vonnis van 2 december 2025 van deze rechtbank is veroordeeld tot nakoming van de voorlopige zorgregeling op straffe van een dwangsom, heeft nakoming tot op heden niet plaatsgevonden. Dit alles samen met de geuite zorgen van de verschillende instanties en de signalen die de kinderen laten zien, vindt de kinderrechter dermate zorgelijk en ernstig, dat zij van oordeel is dat er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter gunt het [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij zorgeloos in het leven kunnen staan en niet belast worden met ‘gedoe’ tussen de ouders. Mede gelet op de ervaringen de afgelopen tijd met de vrijwillige hulpverlening en daarbij weigerende en wantrouwende houding van de moeder, is de kinderrechter van oordeel dat de ouders op dit moment onvoldoende in staat zijn om onder de eigen verantwoordelijkheid en in het vrijwillig kader de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. De kinderrechter vindt het daarbij een zorgelijk signaal dat de huisarts, de school van de kinderen, Veilig Thuis en de Raad volgens de moeder allemaal niet objectief zijn. Hoewel het zichtbaar is dat beide ouders op een eigen manier hun best doen voor de kinderen, is de kinderrechter van oordeel dat dit onvoldoende is om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. De kinderrechter vindt het daarom belangrijk dat er een jeugdbeschermer betrokken raakt om een compleet beeld te krijgen van de problematiek en de invloed daarvan op de ontwikkeling van de kinderen, om zo de benodigde hulpverlening in te zetten. Het is belangrijk dat de ouders leren omgaan met hun eigen en onderlinge problemen en handvatten aangereikt krijgen die hen leren hiermee om te gaan zonder daarmee de kinderen te belasten. Ten slotte vraagt de kinderrechter de ouders zich rekenschap te geven van de gevolgen die hun onderlinge strijd op (het welzijn van) de kinderen heeft en roept hen op de belangen van de kinderen boven hun eigen belangen te gaan en blijven stellen. Gelet op het bovenstaande, stelt de kinderrechter daarom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar. Beslissing De kinderrechter: stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 14 januari 2026 tot 14 januari 2027 onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland; verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026 door mr. G. van Zeben-de Vries, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.I. Knops als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 28 januari
  3. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.