RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.7126 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres (gemachtigde: mr. F.H. Bruggink), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. B. Pattiata). Procesverloop
- Bij besluit van 7 februari 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij besluit van 8 februari 2026 is de eerdere maatregel van bewaring opgeheven en aan eiseres een nieuwe maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. 1.
- Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. 1.
- Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 16 februari 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 18 februari 2026 op gereageerd. Op 20 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen
- Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
- Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
- Eiseres voert aan dat volgens verweerders beleid gezinnen met minderjarige kinderen niet in vreemdelingendetentie worden geplaatst. Eiseres heeft een kopie van een taskera overlegd bij de zienswijze van 16 februari 2026, waaruit blijkt dat haar zoon minderjarig is. De voortduring van de maatregel is daarom in elk geval vanaf 16 februari 2026 onrechtmatig. Verder heeft verweerder ten onrechte gesteld dat er sprake is van een significant risico op onderduiken. Daarbij kan het grensbewakingsbelang geen doorslaggevende rol spelen omdat eiseres en haar gezin van verweerder naar Slovenië moeten voor de behandeling van hun asielaanvraag. Verder kampen eiseres en haar partner met medische problemen.
- De rechtbank overweegt als volgt.
- Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat eiseres op 8 februari 2026 een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel heeft gekregen. De desbetreffende beschikking zit ook in het dossier. De rechtbank leidt hieruit af dat de bestreden vrijheidsontnemende maatregel van 7 februari 2026 dan ook is opgeheven. Dat het M113 formulier, waar dit doorgaans uit blijkt, niet in het dossier zit is slordig, maar doet aan het oordeel niet af. Anders dan eiseres stelt, duurt de maatregel dus niet voort.
- De rechtbank stelt verder vast dat eiseres op 7 februari 2026 aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl zij niet aan toegangsvoorwaarden voldeed. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat hiermee aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid van de Vw wordt voldaan. Daarnaast heeft de Afdeling ook geoordeeld dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in zeer bijzondere gevallen afgeweken.
- Daarbij heeft verweerder geen rekening hoeven houden met de gestelde minderjarigheid van haar zoon, omdat haar zoon zich heeft voorgedaan als meerderjarig. Volgens het vervalste paspoort van haar zoon, zou hij geboren zijn op [geboortedatum 1]
- Uit EU-VIS blijkt dat hij geboren is op [geboortedatum 2]
- De zienswijze van 16 februari 2026, waarbij een kopie van een taskera is overgelegd met een latere geboortedatum, dateert van na (de opheffing van) het bestreden besluit. Daarnaast constateert de rechtbank, anders dan eiseres, dat verweerder een risico op onderduiken niet heeft tegengeworpen, zodat dit geen bespreking behoeft.
- Verder is niet gebleken dat eiseres niet bij de medische dienst van het detentiecentrum terecht kan voor haar klachten. Voor het oordeel dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen en het grensbewakingsbelang had moeten prijsgeven, is daarom geen aanleiding.
- Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Zie voor een vergelijkbaar oordeel de uitspraken van 9 mei 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:7621 en ECLI:NL:RBDHA:2019:
- Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en
- Zie de uitspraak van de Afdeling van van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW
- Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.