← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2026:4414

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/020051-25 Datum uitspraak: 19 februari 2026 Tegenspraak (art. 279 Sv) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 19 februari

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M.A. Beckers en van hetgeen door de raadslieden van de verdachte, mr. J.T.E. Vis en mr. D. Kisteman, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Leiden, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 3De ontvankelijkheid van de officier van justitie 3.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De verdediging heeft hiertoe betoogd dat het geen redelijk doel dient dat het Openbaar Ministerie de zaak heeft aangebracht bij de rechtbank teneinde een bewezenverklaring zonder strafoplegging te vorderen. De vervolging is daarmee in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. De verdediging heeft betoogd dat geen enkel redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie in dit geval heeft kunnen oordelen dat (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang dient. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer en betoogd dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte. 3.3 Het oordeel van de rechtbank In artikel 167 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid toegekend om zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. In eerdere rechtspraak van de Hoge Raad is bepaald dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate leent voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging vanwege strijd met de beginselen van een goede procesorde. Zo’n uitzonderlijk geval doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. Aan het oordeel dat het Openbaar Ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard, worden zware motiveringseisen gesteld. Deze rechtspraak strekt ertoe dat, als het Openbaar Ministerie met de beslissing tot (voortzetting van de) vervolging een zaak ter beoordeling aan de rechter heeft voorgelegd, alleen uitzonderlijke met die vervolgingsbeslissing samenhangende omstandigheden beletten dat de rechter een inhoudelijk oordeel velt over de in de tenlastelegging vervatte beschuldiging. De verdachte heeft gehandeld in strijd met de Opiumwet door de bedrijfsvoorraad van coffeeshop [bedrijfsnaam] in zijn woning te bewaren. Het is niet volstrekt onbegrijpelijk dat door het Openbaar Ministerie, bij het aantreffen van een aanzienlijke hoeveelheid hennep en hasj, vervolging wordt ingesteld. Dat het Openbaar Ministerie – aldus de verdediging – in soortgelijke zaken soms overgaat tot het seponeren van de strafzaak valt binnen de beleidsvrijheid die aan het Openbaar Ministerie toekomt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat zich in deze zaak niet de situatie voordoet dat de vervolging is ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. De rechtbank verwerpt het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard. 4De bewijsbeslissing 4.
  2. Opgave van bewijsmiddelen De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de verdediging geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024321932, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 151). De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
  3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , opgemaakt op 6 november 2024 (p. 73-79);
  4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 oktober 2024 (p. 10-12);
  5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 oktober 2024 (p. 58). 4.
  6. De bewezenverklaring De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: hij op 4 oktober 2024 te Leiden, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II. 5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 6De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 7Geen straf of maatregel 7.
  7. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat toepassing wordt gegeven aan art. 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd. 7.
  8. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft (subsidiair) tevens betoogd dat de strafzaak dient te worden afgedaan door toepassing te geven aan art. 9a Sr. 7.
  9. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft bij de beoordeling van de afdoeningsmodaliteit gelet op de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een hoeveelheid van telkens meer dan 30 gram hasj en hennep in zijn woning. De verdachte is eigenaar van coffeeshop [bedrijfsnaam] en de aangetroffen hoeveelheid (soft)drugs betrof de handelsvoorraad voor de exploitatie van de coffeeshop. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 januari
  10. Hieruit volgt dat geen sprake is van recidive. Geen straf of maatregel De rechtbank stelt vast dat het bewezenverklaarde feit is begaan in het kader van de exploitatie van een coffeeshop. Volgens het Nederlandse gedoogbeleid wordt tegen het aanwezig hebben van een handelsvoorraad softdrugs in een gedoogde coffeeshop niet strafrechtelijk opgetreden zolang deze voorraad het maximum van 500 gram niet te boven gaat. Gelet op de hoeveelheid softdrugs die een reguliere coffeeshop via de voordeur verlaat, is het evident dat er aan de achterdeur moet worden geput uit een handelsvoorraad die groter is dan 500 gram. Dit is bekend bij alle betrokken overheidsinstanties, waaronder de opsporings- en vervolgingsautoriteiten. Deze zogeheten achterdeurproblematiek kenmerkt zich door de paradoxale situatie waarin de exploitant van een bestuurlijk gedoogde coffeeshop strafbaar is voor het (elders) aanwezig hebben van een voorraad van meer dan 500 gram, ook indien het aanwezig hebben van dat meerdere aan een verantwoorde bedrijfsvoering in de bestuurlijk gedoogde coffeeshop inherent is. De verdachte is een bonafide coffeeshophouder. Zijn coffeeshop heeft een gedoogverklaring voor de verkoop van softdrugs en houdt zich aan het zogenoemde AHOJ-G-beleid. Dit bewezen verklaarde feit is daarmee een rechtstreeks uitvloeisel van de bedrijfsvoering van de verdachte als exploitant van een gedoogde coffeeshop. De aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen betreft volgens de aannemelijke verklaring van de verdachte de handelsvoorraad van de coffeeshop. Daarbij merkt de rechtbank op dat deze handelsvoorraad inmiddels in zijn volledigheid is vernietigd, waardoor de verdachte economisch behoorlijk is getroffen. De rechtbank is, gelet op al het voorgaande, van oordeel dat in deze zaak kan worden volstaan met de constatering dat de verdachte het strafbare feit heeft gepleegd en dat hij daarvoor strafbaar is, maar dat met het opleggen van een straf of maatregel geen redelijk strafdoel meer is gediend. De rechtbank zal daarom bepalen dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. 8De beslissing De rechtbank: verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 4.2 bewezen is verklaard; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; verklaart de verdachte daarvoor strafbaar; bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Rabbie, voorzitter, mr. C.W. de Wit, rechter, mr. A.W. Duijnstee, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Duijm, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 februari
  11. vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7, HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:25, en HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:401).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.