RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.63756 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. C. Huy), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. L.J.M. Rog). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 29 december 2025 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 2.
- De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit
- De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard. Heeft eiser nog procesbelang?
- Op 3 februari 2026 heeft de minister aan de rechtbank laten weten dat eiser op 30 januari 2026 door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) is geregistreerd als met onbekende bestemming vertrokken (MOB) en gevraagd om het belang van eiser bij een uitspraak te beoordelen. In reactie op de MOB-melding heeft de gemachtigde van eiser op 10 februari 2026 aangegeven contact te onderhouden met eiser. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat eiser nog procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Is het Dublin-gehoor voldoende zorgvuldig geweest?
- Eiser betoogt dat het gehoor onvoldoende zorgvuldig is geweest. Het gehoor heeft namelijk maar dertig minuten geduurd en is volgens een ingekorte werkwijze afgenomen, waarbij slechts enkele algemene vragen worden gesteld. Er is bijvoorbeeld niet doorgevraagd toen eiser aangaf dat hij problemen in Spanje heeft ondervonden. Daarnaast is ook niet gevraagd naar eventuele familiebanden in Nederland of een andere lidstaat. Hiermee wordt miskend dat artikel 5 van de Dublinverordening een waarborg biedt om alle relevante informatie te verkrijgen die overdracht kan verhinderen. 5.
- De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft terecht gesteld dat het gehoor voldoende zorgvuldig is afgenomen. Eiser is namelijk tijdens het gehoor in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaren tegen overdracht aan Spanje en/of problemen in Spanje naar voren te brengen. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om door te vragen over eventuele problemen in Spanje. In het gehoor is namelijk gevraagd of eiser bezwaren heeft tegen overdracht aan Spanje, waarop eiser heeft geantwoord dat hij geen problemen heeft gehad in Spanje. Daarna is gevraagd of eiser ooit persoonlijke problemen heeft ondervonden in Spanje, waarop eiser ‘nee’ antwoordt. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser gewezen op pagina 5 van het gehoor waarin eiser in het vrije relaas heeft verklaard dat hij problemen heeft. Anders dan gesteld door de gemachtigde, blijkt dat deze verklaring ziet op problemen die eiser heeft ondervonden in Algerije, gelet op de verklaring van eiser op pagina 4 van het gehoor waarin hij verklaart over problemen in Algerije. Ook over de familiebanden heeft de minister niet hoeven doorvragen. De minister heeft daarover tijdens de zitting naar voren gebracht dat eiser door middel van de brochures is voorbereid en dat daarin is aangegeven dat hij ook zaken als familiebanden naar voren dient te brengen. Daarbij komt dat eiser in beroep niet heeft aangegeven dat hij familie in Nederland en/of een andere lidstaat heeft. Het enkele feit dat het gehoor 30 minuten heeft geduurd, maakt ook niet dat sprake is van een onzorgvuldigheid. Van belang is namelijk of eiser de mogelijkheid heeft gehad om zijn bezwaren tegen overdracht aan Spanje naar voren te brengen, en deze mogelijkheid heeft hij, gelet op voorgaande, voldoende gehad. Mag de minister voor Spanje uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
- Eiser betoogt dat de minister voor Spanje niet uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister kan daarbij niet volstaan met de verwijzing naar recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), omdat de minister de individuele situatie van de vreemdeling dient te betrekken. In geval van eiser heeft de minister eisers verklaringen over zijn ervaringen in Spanje niet kenbaar en inhoudelijk meegewogen. Deze ervaringen bieden aanknopingspunten voor structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem in Spanje. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij drie dagen in detentie heeft verbleven, zonder rechtsbijstand waarna hij direct op straat is gezet. Ook heeft eiser geen medische zorg gekregen. Verder wijst eiser op recente bronnen waaruit blijkt dat het Spaanse asielsysteem onder druk staat door een groot aantal openstaande asielaanvragen. Dit heeft directe gevolgen voor de toegang tot de procedure en opvang, in het bijzonder voor Dublin-terugkeerders. Uit het EUAA Asylum Report 2025 blijkt daarnaast dat Spanje kampt met een personeelstekort bij de Dublin-eenheid. Dit onderstreept dat het systeem momenteel onvoldoende is toegerust om Dublin-terugkeerders adequaat te verwerken. 6.
- De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister nog steeds uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Spanje. De Afdeling heeft namelijk recent nog bevestigd dat nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Anders dan eiser betoogt, heeft de minister niet enkel in het algemeen gewezen op de Afdelingsjurisprudentie, maar is de minister ook ingegaan op dat wat eiser naar voren heeft gebracht in de zienswijze. De minister heeft hierover terecht het standpunt ingenomen dat eiser zich bij eventuele problemen met betrekking tot opvang, rechtsbijstand en/of medische zorg kan wenden tot de Spaanse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet kan klagen of dat klagen op voorhand zinloos is. De informatie waar eiser naar verwijst, waaruit volgens eiser blijkt dat het asielsysteem onder druk staat, maakt ook niet dat niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit deze bronnen blijkt namelijk niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure. Verder heeft eiser niet onderbouwd dat hij medische problemen heeft. Met betrekking tot de detentie heeft de minister terecht gesteld dat eiser eerder in detentie heeft gezeten omdat hij illegaal Spanje is ingereisd. Eiser keert nu echter terug als Dublinclaimant. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij als Dublinclaimant weer in detentie zal worden geplaatst. Daarnaast kan eiser, bij voorkomende problemen (over de detentie), hierover klagen bij de autoriteiten. Had de minister op grond van artikel 17 van de Dublinverordening het asielverzoek van eiser in behandeling moeten nemen?
- Eiser betoogt dat de minister ten onrechte artikel 17 van de Dublinverordening niet heeft toegepast. De minister heeft in geval van eiser niet kenbaar gemotiveerd of de aangevoerde medische omstandigheden en persoonlijke kwetsbaarheden moeten worden aangemerkt als bijzondere, individuele omstandigheden die overdracht onevenredig hard maken. Eiser is ziek en heeft in Spanje geen behandeling gekregen. In Nederland ondergaat eiser via het COa medische behandeling vanwege hormonale disbalans. Daarnaast is eiser jong, alleenstaand en afkomstig uit Algerije, wat zijn kwetsbaarheid vergroot. Eiser vreest dat hij in Spanje herkend wordt door personen die het op hem gemunt hebben vanwege de functie van zijn ouders als politieagenten in Algerije. Spanje is namelijk dicht bij Algerije. 7.
- De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft voldoende gemotiveerd waarom het asielverzoek van eiser niet op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling is genomen. Daarbij heeft de minister terecht gesteld dat de medische situatie van eiser niet is onderbouwd. Verder heeft de minister de (gestelde) medische situatie betrokken in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waardoor de rechtbank hierover in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening geen oordeel meer hoeft te geven. Met betrekking tot eisers vrees om herkend te worden in Spanje vanwege zijn problemen in Algerije, heeft de minister er terecht op gewezen dat de Spaanse autoriteiten met het claimakkoord hebben aangegeven de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen, waaruit kan worden afgeleid dat de Spaanse autoriteiten welwillend zijn om eiser te helpen bij voorkomende problemen. De minister heeft daarom niet ten onrechte gesteld dat de overdracht van eiser aan Spanje niet leidt tot onevenredige hardheid. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.K.H.M.M. Otten, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet
- ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
- Asylum applications - monthly statistics - Statistics Explained - Eurostat. Section
- Responsibility for an application for international protection | European Union Agency for Asylum. ABRvS 25 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:
- ABRvS 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.