RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.13100 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , verzoeker, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. A. van Midden). Procesverloop Bij besluit van 28 januari 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Bij uitspraak van 24 februari 2026 heeft de rechtbank het beroep van verzoeker hiertegen met toepassing van artikel 8:54 van de Awb ongegrond verklaard. Verzoeker heeft bij bericht van 9 maart 2026 tegen deze uitspraak verzet gedaan. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij de behandeling van het verzet in Nederland mag afwachten. Verweerder heeft op verzoek van de rechtbank een verweerschrift ingediend. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb. Overwegingen
- Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. Ook tijdens een verzetsprocedure als bedoeld in artikel 8:55 van de Awb kan een voorlopige voorziening worden verzocht.
- Verzoeker is geboren op [geboortedag] 1980 en heeft de Syrische nationaliteit. Op 12 maart 2026 om 10:20 uur wordt verzoeker door verweerder gefaciliteerd in een overdracht aan de Bulgaarse autoriteiten in het kader van de Dublinverordening. Verzoeker heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen om zijn overdracht te voorkomen, omdat hij aanwezig wil zijn bij de behandeling van zijn verzetschrift ter zitting. Verder meent verzoeker dat bij overdracht zijn belangen worden geschaad, omdat Bulgarije zich niet houdt aan zijn internationale verplichtingen.
- Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat verzoeker niet gedwongen wordt overgedragen. Subsidiair stelt verweerder dat het verzet geen redelijke kans van slagen heeft. In het verzetschrift zijn geen stellingen naar voren gebracht die niet reeds in beroep zijn ingebracht of hadden kunnen worden ingebracht en die niet tot de conclusie hadden hoeven leiden dat er geen sprake was van een kennelijk ongegrond beroep.
- De voorzieningenrechter stelt op basis van het verweerschrift vast dat verweerder op dit moment niet voornemens is om verzoeker gedwongen over te dragen. De aangekondigde vluchtgegevens zien uitsluitend op het faciliteren van een vrijwillig vertrek naar Bulgarije. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat verzoeker de zelfstandige keuze heeft of hij zijn medewerking zal verlenen aan die overdracht. Om die reden is de voorzieningenrechter van oordeel dat op dit moment dan ook geen sprake is van een spoedeisend belang, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan op 10 maart 2026 door mr. K.M. de Jager, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Algemene wet bestuursrecht. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 december 2004, NJB 2005/
- Verordening (EU) nr. 604/2013.