Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2026:5109
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/321 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], eiseres (gemachtigde: mr. H.S. Huisman), en de Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigden: mr. M. Burghout en mr. S.R. Busch).
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de aanvullende schadevergoeding voor werkelijk geleden schade in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag.
1.1 In het primaire besluit van 25 juli 2022 is aan eiseres een aanvullende schadevergoeding voor werkelijke schade toegekend van € 703. In het bestreden besluit van 16 december 2024 heeft verweerder het primaire besluit aangevuld in die zin dat aan eiseres een nadere vergoeding is toegekend van € 13.933.
1.2 De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de echtgenoot van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
Wat vindt eiseres in beroep?
Wat vindt verweerder in beroep?
Wat is het toetsingskader?
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Inkomensschade 11. Eiseres heeft in dit verband aangevoerd dat de problemen met de kinderopvangtoeslag tot loonbeslag bij haar partner hebben geleid en dat zowel eiseres als haar partner hun baan door die problemen zijn kwijtgeraakt. Verweerder heeft de afwijzing van de inkomensschade gebaseerd op het advies van de CWS. De CWS acht het op basis van de beschikbare gegevens onvoldoende aannemelijk dat de problemen met de kinderopvangtoeslag hebben geleid tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst van eiseres op 19 november 2014 en die van haar partner op 1 juni 2017. Volgens de CWS begonnen de problemen met de kinderopvangtoeslag eind 2014 en op dat moment was de dienstbetrekking van eiseres reeds beëindigd. Eiseres en haar huidige partner waren bovendien officieel gescheiden in de periode van 4 mei 2015 tot 30 oktober 2017 en zijn daarna weer hertrouwd. Op 1 juni 2017 voerden zij dus geen gemeenschappelijke huishouding en kon er volgens de CWS dus geen verband bestaan tussen zowel de arbeidsomstandigheden van de partner als het loonbeslag en de problemen met de kinderopvangtoeslag.
13.1 Uit het dossier blijkt dat de eerste neerwaartse correctie van de kinderopvangtoeslag 2014 dateert van 30 december 2014. Op grond hiervan kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat de problemen met de kinderopvangtoeslag zijn begonnen nadat de arbeidsovereenkomst van eiseres reeds was beëindigd. Uit het ‘LIC-overzicht KOT 2014’ blijkt dat verweerder de kinderopvangtoeslagschuld van eiseres heeft verrekend met haar andere toeslagen en de inkomstenbelasting gedurende de periode van 8 januari 2018 tot en met 10 oktober 2019. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat het loonbeslag van de partner van eiseres in de periode tot 1 juni 2017 is gebruikt om de kinderopvangtoeslagschuld 2014 van eiseres af te lossen. De eerste invorderingshandeling van verweerder vond bovendien plaats nadat de dienstbetrekking van de partner al was beëindigd. Evenmin is aannemelijk geworden dat de problemen van eiseres met de kinderopvangtoeslag ervoor hebben gezorgd dat haar partner zijn baan is kwijtgeraakt. Dat de partner van eiseres ondanks de scheiding hoofdelijk aansprakelijk bleef voor de kinderopvangtoeslagschuld van eiseres, maakt, wat daar ook van zij, het voorgaande niet anders.
13.2 De rechtbank heeft in het dossier geen aanwijzingen gevonden die de stelling van eiseres onderbouwen dat de problemen met de kinderopvangtoeslag eerder zijn begonnen dan op 30 december 2014. Eiseres stelt weliswaar dat de uitvraagbrief van verweerder van 26 mei 2014 heeft geleid tot het opschorten van de uitbetaling van de kinderopvangtoeslag, maar eiseres heeft geen objectieve informatie in het geding gebracht waar dat uit blijkt. Het ‘Uitbetalingsoverzicht KOT 2014’ laat bovendien zien dat de eerste uitbetaling van de kinderopvangtoeslag heeft plaatsgevonden op 20 februari 2014, waarna er vervolgens maandelijks is uitbetaald tot en met 20 november 2014.
13.3 In het feit dat aan eiseres een vergoeding is toegekend vanwege de tijd die zij kwijt is geweest aan regelzaken, kan, onder verwijzing naar de overwegingen 13.1 en 13.2, geen impliciete erkenning worden gelezen dat de problemen met de kinderopvangtoeslag reeds in mei 2014 zijn begonnen. In dat kader is relevant dat de CWS ervan uitgaat dat alle (gedupeerde) ouders tijd kwijt zijn geweest aan problemen met de kinderopvangtoeslag, onder meer voor de tijd die nodig was voor afspraken bij advocaten, het Juridisch Loket, de gemeente, afspraken met bewindvoerders of met verweerder, het voeren van procedures, tijd die nodig was om de gevraagde stukken te verzamelen of tijd die in de wacht is doorgebracht bij de Belastingtelefoon. De CWS wil in het kader van ruimhartigheid die tijd compenseren en hanteert daarvoor bepaalde vastgestelde bedragen, zoals vermeld in het schadekader.
13.4.
Eiseres heeft in het beroepschrift daarnaast nog aangevoerd dat zij door de problemen met de kinderopvangtoeslag geen kinderopvangtoeslag meer durfde aan te vragen, waardoor zij niet in staat was om weer aan het werk te gaan. De rechtbank acht het voorstelbaar dat de terugvordering van de kinderopvangtoeslag veel stress heeft veroorzaakt bij eiseres en haar gezin. Voor het vergoeden van de gestelde inkomensschade dient echter sprake te zijn van een causaal verband tussen het handelen van verweerder en de geleden schade. Dit causale verband heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. De tijdlijn van de objectief vastgestelde feiten en omstandigheden komt niet overeen met de door eiseres geschetste tijdlijn over het ontstaan van de gestelde inkomensachteruitgang. Verweerder heeft dan ook terecht geen vergoeding toegekend voor de door eiseres in dit verband gestelde schade.
Kosten van vrije dagen 14. Uit het advies van de CWS volgt dat eiseres geen recht heeft op vergoeding van deze schadepost. De kinderopvangtoeslagproblematiek is immers begonnen op 30 december 2014, zodat het opnemen van vrije dagen in de periode daarvoor niet gelinkt kan worden aan het handelen van verweerder. De verwijzing van eiseres naar de uitvraagbrief van verweerder van 26 mei 2014, maakt niet dat deze schadepost daarmee aannemelijk is gemaakt. In de periode na 30 december 2014 ontving eiseres een bijstandsuitkering, zodat geen sprake kan zijn van het opnemen van vrije dagen. Voor wat betreft de partner van eiseres, is de rechtbank met de CWS en de bac van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de partner veel vrij heeft moeten nemen voor afspraken die specifiek betrekking hebben op de kinderopvangtoeslagproblematiek. De rechtbank ziet geen grond om het oordeel van de CWS hierover onjuist te achten, te meer omdat eiseres daar niks concreets tegenover heeft gesteld.
Vermogensschade 15. In wat eiseres naar voren heeft gebracht en de stukken die zij heeft overgelegd, heeft de CWS geen aanknopingspunten gevonden voor het aannemen van een causaal verband tussen de gestelde vermogensschade van eiseres en het handelen van verweerder. Eiseres heeft ook in beroep geen begin van bewijs geleverd op grond waarvan aannemelijk geacht zou kunnen worden dat sprake is van vermogensschade die veroorzaakt is door de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.
Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen de toelichting van verweerder dat eiseres voor het jaar 2014 geen recht had op huurtoeslag en dat zij voor alle jaren waarin recht bestond op huurtoeslag ook daadwerkelijk het jaarrecht toegekend heeft gekregen. Eiseres heeft in dit verband weliswaar verwezen naar de gespreksnotities van verweerder, maar op basis van die informatie is niet aannemelijk gemaakt dat de hier gestelde vermogensschade het directe gevolg is van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2014. De gespreksnotities van 27 februari 2015, 10 juni 2015, 11 juli 2016 en 13 juli 2016 onderbouwen bovendien dat de huurtoeslagproblemen die eiseres heeft ervaren niet in verband staan met de terugvordering van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2014.
Voor zover eiseres meent dat zij in het kader van de huurtoeslag institutioneel vooringenomen is behandeld, zal zij een beroep moeten doen op de zogeheten hzk-regeling.
Reiskosten, andere extra kosten en de kosten van dwanginvordering 17. Eiseres heeft in beroep geen concrete gronden aangevoerd die zich richten op de toegekende reiskostenvergoeding en de afgewezen schadeposten ‘andere extra kosten’ en de ‘kosten van dwanginvordering’. Eiseres heeft weliswaar verzocht haar bezwaarschrift als herhaald en ingelast te beschouwen, maar heeft daarbij niet aangegeven waarom de reactie van verweerder in het bestreden besluit ontoereikend is. Voor zover eiseres met betrekking tot de reiskostenvergoeding en de afgewezen schadeposten ‘andere extra kosten’ en de ‘kosten van dwanginvordering’ verwijst naar hetgeen zij in bezwaar naar voren heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat een verwijzing daarnaar onvoldoende is om te spreken van een beroepsgrond waar de rechtbank op in moet gaan.
Immateriële schadevergoeding 18. Met betrekking tot de schadepost ‘verdriet door verkoop sieraden (mede) door de kinderopvangtoeslagschulden’, overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft ter zitting een interne berekening overgelegd en toegelicht dat daaruit blijkt dat reeds rekening is gehouden met deze schadepost. De gemachtigde van eiseres en ook de rechtbank hebben ter zitting aan de hand van de interne berekening geconstateerd dat verweerder voor deze schadepost twee keer een bedrag van € 750 aan eiseres heeft toegekend. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder in het bestreden besluit voor bouwsteen A is uitgegaan van een totaalbedrag van € 8.250, terwijl de interne berekening van verweerder uitgaat van een totaalbedrag van € 9.750. Indien en voor zover de schadepost ‘verdriet door verkoop sieraden (mede) door de kinderopvangtoeslagschulden’ nog niet is uitbetaald aan eiseres, draagt de rechtbank verweerder op om daar zorg voor te dragen.
Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat aanvankelijk 11 factoren van toepassing waren en dat in het bestreden besluit 13 factoren, met een waarde van € 750 per factor, van toepassing zijn geacht, hetgeen de gemachtigde van eiseres ook ter zitting heeft bevestigd. Verweerder heeft toegelicht dat hij bij het berekenen van de schadevergoeding voor bouwsteen A het geldende normbedrag van de CWS van € 750 per factor tot uitgangspunt heeft genomen. Het is dan aan eiseres om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die aanleiding kunnen zijn om het normbedrag van € 750 te verhogen. In het onderhavige geval ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat het gehanteerde normbedrag van € 750 per factor te laag zou zijn. De rechtbank heeft daarbij mede in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen over het causale verband tussen de kinderopvangtoeslagproblematiek en de door eiseres geschetste tijdlijn van gebeurtenissen. Eiseres heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat zij in afwijking van het geldende normbedrag in aanmerking moet komen voor een hogere schadevergoeding per factor. De rechtbank heeft daarbij tevens van belang geacht dat deze procedure alleen ziet op de kinderopvangtoeslag en niet ook op de gevolgschade die eiseres in het kader van de huurtoeslag stelt te hebben geleden.
Overschrijding redelijke termijn 24. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is overschreden wanneer de behandeling van het bezwaar en het beroep gezamenlijk langer duurt dan twee jaar. De behandeltermijn vangt aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt en eindigt met de uitspraak van de rechtbank. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding geldt een forfaitair tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Heeft de procedure tot de uitspraak van de rechtbank langer dan twee jaar geduurd, dan dient vervolgens voor de bezwaar- en de beroepsfase afzonderlijk te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij in beginsel geldt dat de bezwaarfase binnen een half jaar en de beroepsfase binnen anderhalf jaar zou moeten worden afgerond.
Conclusie en gevolgen 26. Het beroep is gegrond, omdat verweerder de immateriële schadevergoeding te laag heeft vastgesteld. De rechtbank vernietigt daarom in zoverre het bestreden besluit. Verweerder moet in zoverre een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Habetian, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het beleidskader om de werkelijke schade te beoordelen is gewijzigd op 1 juli 2024.
ECLI:NL:RBAMS:2024:504.
Als bedoeld in artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht.
Zie productie 33 van het bezwaardossier.
Zie productie 14 van het bezwaardossier.
Zie de bijlage bij productie 31 van het bezwaardossier.
Zie productie 32 van het bezwaardossier.
Zie paragraaf 3.2 van ‘De werkwijze en het schadekader’ van de CWS.
Zie voetnoot 6.
Producties 55 tot en met 60 van het bezwaardossier.
Productie 16 van het bezwaardossier. www.hzkregeling.nl www.werkelijkeschade.nl/documenten/2025/12/22/werkwijze-en-schadekader-cws.
ECLI:NL:RVS:2014:188.
Artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
ECLI:NL:CRVB:2018:1755.